Actief in elk vuil oorlogje

Elitesoldaten moeten de balans in de `asymmetrische oorlog' in Afghanistan rechttrekken. De Britse SAS zou daarbij een sleutelrol spelen. Maar de toekomst van het regiment is ongewis.

Allen heeft een groene baret, blauwe ogen en een geweer met een telescoop. Hij is een sluipschutter van de Britse mariniers. De ogen van Cobra zijn niet te zien achter de speciale bril onder zijn gecamoufleerde helm. Hij heeft zwarte handschoenen en een groot zwart geweer. Hij is een U.S. Ranger. Clark heeft twee geweren: een Heckler & Koch PDW machinepistool en een Arwen 37-werper voor CS-traangasgranaten. Clark draagt een zwart gasmasker en het zwarte contraterreurpak van de Britse Special Air Service (SAS).

Allen, Cobra en Clark zijn ongeveer dertig centimeter hoog, made in China en kosten 160 gulden per stuk. Ze maken deel uit van een nieuwe serie poppen, Elite Force, die in het Londense speelgoedwarenhuis Hamley's dezer dagen uitstekend verkopen. Allen, Cobra, Clark, Striker, Snake, Shark en Duitse Konrad staan er sinds kort op de plank, naast Harry Potter. ,,Maar er was al langer vraag naar'', zegt manager Jim Bassett er snel bij.

Militaire elite-eenheden, special forces, staan sinds het begin van de campagne in Afghanistan weer in de schijnwerpers. Vier weken bombarderen heeft tot nu toe noch de vangst van Osama bin Laden opgeleverd, noch de val van het Talibaan-regime, al beloven Amerikanen en Britten dat dit slechts een kwestie van tijd is. Veel is er niet meer te bombarderen. Niet alleen omdat alles van waarde al in scherven ligt. Maar ook om het aantal burgerslachtoffers laag te houden. En omdat de Afghanen er geen legers in gebruikelijke zin op na houden. Het woord `front' betekent er nog steeds weinig, al zou de herbewapende Noordelijke Alliantie op het punt staan een offensief te ontketenen. Britse en Amerikaanse speciale troepen moeten helpen om de balans in die `asymmetrische oorlog' recht te trekken.

,,Dit is niet de Golf'', zegt kolonel Terence Taylor, chef de poste in Washington van het International Institute for Strategic Studies (IISS), een Londense denktank. ,,Toen ging het om het veroveren van territorium. Afghanistan vraagt om doelgerichte, korte, chirurgische operaties. In deze bijzondere situatie hebben special forces het meeste effect.''

Een zwart kruis schuift door de groene sneeuw van de nachtkijker, erachter ontstaan op regelmatige afstanden zwarte inktvlekjes. Het zijn parachutes die zich ontplooien achter een Hercules-transportvliegtuig van het Amerikaanse Special Operations Command (SOC). De luchtlanding die U.S. Rangers op 20 oktober uitvoerden op een militair complex bij Kandahar, in het politieke hart van Talibanië, was de eerste in zijn soort. Ze zochten er informatie over Al-Qaeda-kopstukken, bliezen gebouwen en materieel op, en vertrokken per helikopter.

Of ze de vijand die nacht de schrik van zijn leven hebben bezorgd, valt te bezien. Hun vertrek was nogal haastig, omdat de Rangers ,,onverwachte tegenstand'' ontmoetten, gaven woordvoerders later schoorvoetend toe. Wel bewezen de Amerikanen dat ze logistiek tot zulke missies in staat zijn. En in elk geval stond de feelgood-meter aan het thuisfront een paar dagen in het groen.

Dat er meer van dit type acties volgen, staat vast. Hoewel de Britse premier Blair deze week zei dat er ,,een grens [is] aan wat we zinnig in het openbaar kunnen bespreken [over grondoperaties]'', zijn daarover al genoeg details uitgelekt. Amerikanen en Britten zijn onder meer van plan vooruitgeschoven bases op Afghaans grondgebied te vestigen, van waaruit speciale troepen kunnen opereren. Sinds vorige week houdt de Britse regering daarvoor officieel een eerste groep van tweehonderd mariniers achter de hand.

Die kunnen erheen zodra het huidige `inlichtingen-vacuüm' – het jongste eufemisme van de militaire planners – is opgeheven. De SAS, de Britse eenheid die vanouds de lastigste clandestiene klusjes opknapt, zou daartoe al weken in Afghanistan opereren.

Honger en angst

De SAS-mannen – de wet gelijke behandeling is in deze branche net zo min doorgedrongen als in het land van de Talibaan – houden zich overdag schuil, in groepen van twee, vier of acht, onder een camouflagenet tussen de rotsen, een verrekijker gericht op een pad, een weg, een stad of een kamp. Of in een grot, vechtend tegen vlooien en teken. En tegen de slaap, honger, eenzaamheid, angst, verveling, een gemene hoest, de brandende zon en – over een maand – de mandiepe sneeuw, zeggen veteranen.

's Nachts blijven ze kijken, door een lichtversterker. En misschien leiden ze `slimme bommen' naar hun doelwit met een laserstraal. Ze communiceren via een radio die berichten codeert, samenperst en naar een satelliet flitst. Ze zijn afgezet op hun berg door een fluisterstille heli. Of ze hebben een HALO-sprong gemaakt, met zuurstofflessen uit een vliegtuig dat zo hoog vliegt, dat je het op de grond niet kunt horen. HALO betekent High-Altitude-Low-Opening. Low betekent laag: na een vrije val van acht kilometer, gaat de parachute open als de tegemoetsuizende aarde nog maar een paar honderd meter weg is.

Hun eten komt uit hetzelfde soort zakjes die de Amerikaanse luchtmacht nu uitstrooit voor Afghaanse vluchtelingen. Meals Ready to Eat (MRE) heten die gevechtsrantsoenen. Meals Rejected by Ethiopians, zeggen de soldaten cynisch. Water komt uit de beek, met een ontsmettingspil. Is er geen beek, dan moeten ze hun eigen urine drinken, door zand gefilterd. Hun ontlasting gaat gewikkeld in plasticfolie weer in de rugzak om geen sporen achter te laten. Want achter elke rots loert het gevaar op ontdekking. Is het niet door een Afghaan met een geweer, dan wel door een geitenhoeder met een hond.

Of ze er kunnen blijven met de winter op komst, is de vraag, zegt Ken Connor. Hij diende 23 jaar in de SAS en schreef kortgeleden zijn memoires, Ghost Force, een van de weinige niet-sensationele boeken over het elite-regiment. Aan de uitrusting zal het niet liggen, zegt hij. ,,Standaard NAVO-poolkleding houdt je warm en de rest kun je in elke goede kampeerwinkel kopen. Maar ik denk niet dat ze op hun eentje in de bergen kunnen opereren. Helikopters kunnen er bijvoorbeeld niet altijd komen en dan is het onmogelijk om ze in- en uit te vliegen of te bevoorraden.''

Militaire analisten zien voor de SAS in Afghanistan grofweg drie rollen weggelegd. Op korte termijn het vergaren en verifiëren van inlichtingen, bijvoorbeeld om achter de verblijfplaats van Bin Laden te komen. Ten tweede het helpen van de `alternatieve krachten' in Afghanistan, de Noordelijke Alliantie, plus het laten overlopen van wankelmoedige Talibaan-strijders. En ten derde het daadwerkelijk deelnemen aan gevechten van de meest riskante soort achter de linies, bijvoorbeeld het vermoorden van vijandelijke leiders in een afgelegen en goed verdedigd kamp.

Geen nieuws onder de zon. Het regiment doet die drie dingen mutatis mutandis al vijftig jaar, in vrijwel elk vuil oorlogje dat bij de afwikkeling van het Britse Empire hoort. Van het regenwoud in Borneo tot de woestijn van Oman, en van de veenmoerassen op de Falklands tot de stadsjungle van Belfast. En in Afghanistan, waar ex-SAS'ers na de sovjetinval van 1979 de mujahedeen trainden in het leggen van hinderlagen en het neerhalen van straaljagers en gevechtshelikopters. Nu nemen ze het tegen hun kinderen op.

Veel meer dan driehonderd man – de laatste reservist meegerekend – kan de SAS niet op de been brengen. Kwantitatief valt de Britse bijdrage sowieso weg tegen die van Amerika. Alleen al het US Marine Corps is groter dan de totale Britse strijdkrachten. Toch heten de SAS en zijn zeegaande zusje, het Special Boat Squadron (SBS), een onmisbare aanvulling voor hun talrijker Amerikaanse collega's.

,,Ze zijn niet met veel, maar ze zijn wel belangrijk'', zegt William Hopkinson, een defensiespecialist van het Royal Institute for International Affairs (RIIA) in Londen. ,,Door hun vaardigheden, uithoudingsvermogen en hun autonomie zijn ze zeker zo goed als hun Amerikaanse tegenhangers. Of beter.''

De VS werken in grotere verbanden, met een relatief logge, hiërarchische bevelstructuur, zegt Terry Taylor van het IISS. ,,De Britten hebben altijd de nadruk gelegd op kleine groepjes, met veel ruimte voor individueel initiatief en jongeren aan de leiding. Hun hele selectie en opleiding is gericht op het leren nemen van gecalculeerde risico's. Dat werkte. Who dares wins is niet voor niets hun motto.''

Boekjes

Pragmatisme en creativiteit in plaats van doctrine is al zeker twee eeuwen een Britse militaire constante. T.E. Lawrence, de guerrilla-filosoof die in 1919 bekend werd als Lawrence of Arabia, is er een romantische exponent van. ,,Tactiek staat voor negen tiende vast'', schreef hij. ,,Je kunt het uit boeken leren. Maar het irrationele tiende is als een ijsvogel die over een plas flitst. [...] Het kan alleen voortkomen uit instinct, aangescherpt door het net zo vaak door te denken dat het bij een crisis zo natuurlijk is als een reflex.''

Er is de cynische school van Sir Frank Kitson, de generaal die het begrip low intensity warfare in de jaren '50 uitvond en rücksichtslos in praktijk bracht tegen separatisten, eerst tegen de Mau-Mau in Kenia, daarna in het Noord-Ierland van de Troubles. ,,Als je tachtig opstanden hebt, zijn er tachtig verschillende manieren om ze de kop in te drukken'', zei Kitson.

En er is een moderne, nuchterder school. Sir Michael Rose hoort daartoe, de oud SAS'er die als VN-generaal in Bosnië een grijs gebied tussen neutraal en partijdig verkende, overigens met wisselend resultaat. George Robertson, de Schotse NAVO-chef, hoort er ook bij, sinds hij klaagde dat Duitsland en Frankrijk moeten ophouden met dicussiëren over de beste bestuurlijke blauwdruk voor een Europese defensie. ,,Ik kan geen organogram naar Kosovo sturen'', zei Robertson.

Als het werkt is het goed, ook al staat het niet in de boekjes – in die traditie past de Special Air Service naadloos. De SAS is het geesteskind van David Stirling, een Schotse officier die in 1941 het idee kreeg voor een goedgetrainde, lichtbewapende, snelle eenheid om achter de Duitse en Italiaanse linies in de Noord-Afrikaanse woestijn verrassingsaanvallen uit te voeren. Met zestig man, stuk voor stuk op fysieke en mentale kracht geselecteerd uit bestaande legeronderdelen, viel hij Rommels vliegvelden en depots aan. Maar vooral het moreel van de vijand.

Zo eigende de SAS zich van meet af aan een strategische rol toe. Het regiment moest alleen gebruikt worden voor het langetermijn-doel van een operatie of een oorlog. Niet als een `super-infanterie' om kleine tactische overwinningen te behalen. Een SAS-patrouille was immers geen gewone legereenheid, een schaakstuk dat een lagere commandant naar willekeur kon verplaatsen, maar een gelegenheidsformatie van specialisten die haar orders rechtstreeks van het opperbevel kreeg.

Die strategische rol heeft de SAS grotendeels behouden. Eerst in het geheim, zoals bij de missies achter het IJzeren Gordijn om Sovjet-wapentuig en -procedures te leren kennen. Later steeds meer in het openbaar, vooral nadat het regiment zich na een toenemend aantal vliegtuigkapingen en gijzelingen in de jaren '70 toelegde op terreurbestrijding. Sinds mei 1980, toen SAS'ers in het zwart voor het oog van de tv-camera's de Iraanse ambassade in Londen bestormden, die bezet was door terroristen met een Iraaks paspoort, was het gedaan met de geheimhouding.

Tijdens de herovering van de Falkland-eilanden in 1982, toen de SAS (en de SBS) al weken voor de aankomst van de Britse taskforce ter plekke de Argentijnse troepenmacht in kaart brachten, kon het publiek geen genoeg krijgen van de nieuwe helden. In de Golfoorlog (1990-'91), waar SAS'ers jacht maakten op de mobiele Scud-raketten waarmee Irak Israël in de oorlog dacht te betrekken, was het niet anders.

Toch is de reputatie van de SAS sindsdien niet ongeschonden. Mike Rose, SAS-commandant tijdens de Falkland-oorlog, is later ego-tripperij verweten. De jacht op de Scuds bleek bij nader inzien door slechte coördinatie en uitrusting nauwelijks succes te hebben gehad. Bovendien kreeg de SAS in Noord-Ierland de reputatie van een doodseskader.

Officiële orders om IRA-leden te vermoorden waren er niet, schrijft BBC-verslaggever Mark Urban in UK Eyes Alpha, een standaardwerk over de Britse schemerwereld van spionage en (contra)terreur. Maar de statistiek suggereert iets anders. De twintig SAS'ers die tussen 1983 en 1987 in het geheim in Ulster actief waren, doodden achttien IRA-leden. De 12.000 reguliere soldaten doodden er in dezelfde periode twee. Eén generaal die bij de Britse special operations was betrokken zei volgens Urban tegen zijn mannen: ,,Een krat champagne voor de eerste die een lijk in mijn in-bakje legt.''

Mythe

Een stortvloed aan memoires van veteranen, begonnen met Andy McNabs bestseller Bravo Two Zero, een bijna-doodervaring uit de Golf, heeft de heroïsche mythe verder bijgesteld met verhalen over dood en doodsangst, drankmisbruik, gebroken huwelijken, politieke en militaire blunders, en de kloof tussen de SAS-soldaten en de officierskaste, de Ruperts.

De heimelijkheid was ooit zijn grootste kracht. Nu wordt elke actie begeleid door een voortdurende stroom speculaties en commentaren. Niet alleen van oud-militairen, defensie-analisten en gespecialiseerde journalisten, maar zelfs van hun opdrachtgevers. Sir Michael Boyce, de hoogste Britse militair, beschreef vorige week in nauwelijks bedekte termen de komende winter waarin de SAS (en het SBS) hun verkenningen in de Afghaanse bergen voortzetten en de Talibaan voortdurend `speldeprikken' zouden toedienen.

Van die onthullingen kan de vijand veel opsteken, waarschuwt Terry Taylor. ,,De SAS is gebaat bij mystiek. In de Koude Oorlog dachten we ook dat de Russen ten feet tall waren. Pas later bleek dat er veel watjes bijzaten. Van het onbekende gaat een grote macht uit, zei Tacitus al.''

Ken Connor gaat nog een stap verder. Hij vermoedt dat de militaire effectiviteit van de SAS zijn beste tijd al heeft gehad. Door de media-schijnwerpers, maar ook door de voortdurende bemoeienis van de politieke en militaire leiding.

,,Er was een tijd dat de SAS erop uit werd gestuurd, en daarna werd vergeten tot de missie was volbracht'', zegt hij. ,,Het grootste gevaar in Afghanistan is dat de politici, die het hele proces steeds willen bijsturen, als stoorzender zullen optreden.''

Dat de SAS nu inlichtingen verzamelt in Afghanistan, staat wel vast. Dat ze bezig zijn de Noordelijke Alliantie te helpen ook, zeker nu de Amerikanen officieel hebben toegegeven een ,,kleine groep geüniformeerd personeel'' ter plekke te hebben en B-52's met tapijtbombardementen een offensief mogelijk maken in de paar weken die nog resten tot de winter. En het is goed denkbaar dat ze de jacht op Bin Laden hebben geopend: het strategische doel bij uitstek in deze campagne.

Maar wat wordt de rol van de SAS in de wijdere `oorlog tegen het terrorisme' die George Bush en Tony Blair hebben aangekondigd? Is het mogelijk dat hun werk zich verlegt naar andere landen, om alle betrokkenen van `11 september' langzaam maar zeker te elimineren, tijdelijk of permanent? Het is eerder gebeurd. Na 1945 joeg de SAS op nazi-oorlogsmisdadigers in de Franse Elzas om ze uit te leveren aan de rechtbank in Neurenberg. En op de tweede optie heeft de Mossad, die na het bloedbad op de Olympische Spelen van 1972 de daders een voor een liquideerde, geen octrooi.

De wereldwijde license to kill die de CIA misschien opnieuw krijgt, zit er voor de SAS niet in, gelooft Terry Taylor. Wel in Afghanistan, waar ,,je niet aan Bin Laden vraagt of hij svp mee wil gaan naar het dichtstbijzijnde station''. Maar dat de SAS in Parijs of Den Haag op straat verdachten zou vermoorden, acht hij ondenkbaar. ,,Of liever, ik geloof dat de SAS die rol niet zou móeten hebben'', voegt hij eraan toe.

Ken Connor gelooft daarentegen dat het de enige belangrijke rol is die de SAS nog kán spelen. ,,Als de schok van 11 september is uitgewerkt, zullen politici en militairen de special forces dwingen van gedaante te veranderen'', zegt hij. ,,Ik denk dat de SAS een nieuwe clandestiene toekomst tegemoet gaat, misschien onder een andere naam.'' De leden van die organisatie, het `spookleger' uit de titel van zijn boek, zullen onder onze neus opereren. Zonder luchtsteun, HALO-sprongen, speciale terreinvoertuigen en de meedogenloze selectiemarsen in de bergen van Wales. Maar ,,in burger, in kleine groepjes en over de hele wereld om nieuwe terreurdaden te voorkomen met preventieve actie'', aldus Connor.

Die brave new world is nog niet aangebroken. Voorlopig zit de SAS te schroeien of te kleumen in de Hindu Kush. Was Connor daar niet graag bij geweest? ,,In mijn 23 jaar ben ik tijdens operaties altijd bang geweest'', zegt hij. ,,Zelfs bij sommige oefeningen, zoals parachutespringen, liep het me dun door de broek. Een van de voordelen van oud worden is dat ik niet meer naar plekken als Afghanistan hoef en daar ben ik dankbaar voor.''