Zooien voor de vaders

Wat bezielt intelligente jongeren om zich onder te dompelen in een primitieve commune? Onno te Rijdt geeft het antwoord in een roman, waar de non-fictie van Inez van Eijk alternatievere studenten onder de loep neemt.

Binnen twee bladzijden van Mores, de nieuwe roman van Onno te Rijdt, wordt de held van het verhaal, Ward van Rigteren, kruipend door een ondergelopen ruimte gejaagd, geschopt, geslagen, beledigd, gekleed een sauna ingestuurd en met zijn hoofd in een wasmachine gestopt, waarna er met hockeysticks hard op dat apparaat wordt geslagen.

We volgen de eerste zes maanden van Van Rigteren in de vereniging Pallas (gemodelleerd naar het Leidse Minerva), waar hij wordt uitgenodigd om in het meest gevreesde corpshuis van allemaal, Sicilia, te komen wonen. Het `huismotto' aldaar is `Hic ingenium meum claudicat' wat ter plaatse wordt vertaald als: `Hier staat mijn verstand stil'. Dat is niets te veel gezegd, al is het maar door de aanwezigheid van de agressieve ouderejaars Grodder, die het om onduidelijke redenen op Van Rigteren heeft voorzien en hem doorlopend het leven zuur maakt. Bijvoorbeeld door te eisen dat de eerstejaars `zich manifesteert' op de sociëteit. Dat doet Van Rigteren eerst door de brandslang op een meisje met grote borsten te richten en daarna een stap radicaler in het contact met een jongen uit een andere club: `Ik haal mijn lul uit mijn broek en begin tegen de vent uit Wereldgrap aan te pissen. Het duurt even voor ze het door hebben. [...] We zooien terwijl mijn lul nog buitenboord hangt.' Van Rigteren wint het zooien, oogst aanhankelijkheid van zijn huisgenoten, maar slaagt er niet in zijn kwelgeest Grodder voor zich in te nemen. Die blijft hem terroriseren, in naam van mores die hij vaak ter plaatse verzint.

Mores is spannend, wat je mag verwachten van een auteur die met zijn roman Het spel in 1998 werd genomineerd voor de Gouden Strop. En De Rijdt (1959) weet waarover hij schrijft: hij woonde jaren in een corpshuis in Leiden. En hij kan schrijven. Bier, agressie, brandspuiten, braaksel en verschrompelde geslachtsdelen komen beeldend en in vliegende vaart voorbij. Tussen het grinniken door komt al snel weer de vraag op die volwassenen bekruipt wanneer ze met het reëel bestaande corpsleven worden geconfronteerd: wat bezielt een vriendelijke, intelligente jongeman als Ward van Rigteren dat hij zich opgeeft voor het leven in een burgerlijk-primitivistische commune? Afgaande op Mores gaat het vooral om het diepe verlangen om `erbij' te horen, om de status van wat daar `absoluut goeie pik' heet te verwerven en te behouden. Dat moet uiteindelijk hun entreebiljet voor de elite worden, voor de wereld van hun vaders. Een wereld waarin discipline voorop staat en het met het zooien in fysieke zin voorgoed gedaan zal zijn.

Zo is dat in ieder geval ook voor Ward van Rigteren. Aansluiting bij de vereniging is de voortzetting van een familietraditie. Achter de suspense van Van Rigterens doorlopende confrontaties met Grodder, is het boek vooral een roman over vaderschap. In de weekenden die hij nog thuis bij zijn ouders doorbrengt, groeit Ward eerst naar zijn vader toe, tot hij bemerkt hoezeer diens corpstijd (wijn drinken en schaken op een dakterras) verschilt van de zijne. Geleidelijk wordt duidelijk dat vader Van Rigterens status niet bepaald `absoluut goeie pik' was, tot woede en ontzetting van zijn zoon.

Dreverhaven

Tegelijkertijd dient zich in de persoon van Grodder een alternatief vaderschap aan, dat nog het meeste wegheeft van hoe Dreverhaven zijn ouderschap van Katadreuffe opvat in Bordewijks Karakter: kwel het kind opdat hij een sterker man wordt. De gedachte dat Grodder misschien wel eens een rugbyende variant op Dreverhaven zou kunnen zijn, is het voornaamste houvast voor de lezer die hoopt dat alle ellende in huize Sicilia nog ergens goed voor is. Overigens loopt het boek slecht af: juist wanneer Van Rigteren het monster bij de ballen lijkt te hebben, gaat het helemaal mis.

Natuurlijk is het niet alleen ellende die Van Rigteren in het corps te verstouwen krijgt: ook zijn er momenten van vriendschap, redelijke maaltijden en goede gesprekken. Precies de dingen waarvoor een student niet per se een vereniging nodig heeft. Ongeveer die gedachte moet een halve eeuw geleden geleefd hebben bij het groepje studenten dat in Amsterdam de studentensociëteit De Olofspoort oprichtte, een vriendelijke vereniging die slechts twintig jaar zou bestaan. Desondanks heeft de club een zekere faam verworven als broedplaats van geleidelijk aan steeds progressievere gedachten. En doordat een groot deel van de leden later bekendheid kregen in (vooral) journalistiek, kunst en media. Tot die groep behoren Relus ter Beek, Midas Dekkers, Hanneke Groenteman, Gerrit Komrij, Joop van Tijn, Aad Nuis, Hummie van de Tonnekreek en Lisette Lewin.

Publiciste Inez van Eijk (1940, ook ex-lid) heeft de geschiedenis van de Olofspoort beschreven in Voorhoede van een moderne tijd. Bloei en teloorgang van Studenten Sociëteit Olofspoort. De verlangens van de oprichters en ook de latere leden waren duidelijk: zij wilden wel een gezelligheidsvereniging, maar eentje waar cultuur belangrijk was en waar je hoofd niet kaalgeschoren werd. Zo'n vereniging werd de Olofspoort, een club die zichzelf in eerste instantie vooral wilde zien als `jongens, maar áárdige jongens'. Dat uitte zich vooral in Kaas & Brood, een vooral literatuurgestuurd blaadje dat binnen de vereniging werd gemaakt.

Vadermoord

De radicalisering in de Olofspoort wordt duidelijk wanneer het alleen in literaire zin provocerende Kaas & Brood wordt vervangen door het magazine Bikkelacht. Dat krijgt in 1966 landelijke bekendheid door een pin-up te plaatsen van een vrouw die veel wegheeft van de toenmalige kroonprinses Beatrix en de tekst Me vel is me vel. `De actie tegen Beatrix had weinig met Beatrix te maken. Het was meer tegen de repressie, tegen de overspannen reacties van de autoriteiten op provo', zegt ex-redactielid Rogier Proper nu. Evenals een collega werd hij wegens dit geintje veroordeeld tot drie weken cel.

Zo is de vereniging niet alleen een alternatief voor mensen die alternatiever zijn dan de meeste corpsleden, maar ook deel van de beweging die de generationele vadermoord van 1968 later ten uitvoer zal brengen. Wat tegelijkertijd een soort harakiri blijkt te zijn, want diezelfde culturele revolutie maakte dat het voor mogelijke belangstellenden eigenlijk al not done was om zich überhaupt bij een vereniging aan te sluiten. In 1969 was de club ter ziele. Dat zijn onderwerpen die in Voorhoede van een moderne tijd wel aan de orde komen, maar die helaas niet worden geanalyseerd: het boek is in de eerste plaats een serie braaf gerangschikte anekdotes. Van Eijk heeft geen poging gedaan ze in een groter verband te plaatsen.

De afgelopen dertig jaar hebben de studentenverenigingen zich ontwikkeld tot minder buitenissige instituten: kaalscheren doet men niet meer, maar ook een groot deel van de literaire creativiteit die de corpora veertig jaar geleden nog herbergden, lijkt ondergedompeld in bier en wellicht een enkel flesje Bacardi Breezer. Van Rigteren weet zich in Mores een uitzondering omdat hij romans leest (wat halverwege het boek leidt tot een buitengewoon hilarische scène, waarin ook enkele pornoblaadjes een rol spelen). Het enige dat altijd lijkt te zullen bestaan, is het grote zuipen en de zwijgzaamheid daarover tegen de buitenwereld.

Want hoewel ik vermoed dat de benen van de Olofspoorters nooit door verenigingsgenoten beplast zijn, is er ook in het boek van Van Eijk wel sprake van vernielingen aan de sociëteitsruimte, inbraak in de bar en ander dronken wangedrag, maar daarover treedt men niet in detail tegenover de buitenwereld. Juist door die zwijgcode – die meer dan door iets anders is ingegeven door diepe schaamte – blijven de extreme vormen van ballerig verenigingsleven een domein waar non-fictie (zoals die van Van Eijk) niet toereikend is: de netten van de fictie (zoals die van De Rijdt) zijn nodig om de vinger op de zere plek te leggen.

Onno te Rijdt: Mores. Podium, 204 blz. ƒ32,50 Inez van Eijk: Voorhoede van een andere tijd. Bloei en teloorgang van Studenten Sociëteit Olofspoort. Contact, 264 blz. ƒ39,50

    • Arjen Fortuin