Te veel papier verbittert

Premier Kok excuseerde zich vorig jaar voor de kille en bureaucratische ontvangst van terugkerende joden en andere oorlogsslachtoffers na de Tweede Wereldoorlog. De historicus Martin Bossenbroek betwijfelt de clichés en zoekt naar nieuwe antwoorden.

Je hebt bescheiden en brutale historici. Een bescheiden historicus is iemand die zinnen schrijft als: ,,Wij hebben in deze bijdrage `nieuw' materiaal gepresenteerd en kregen meer zicht op ander materiaal ter beantwoording op onze vraag'. Een brutale historicus schrijft bijvoorbeeld ,,dat de eerste jaren van de oorlog zoveel interessanter zijn dan de latere'.

De bescheiden historicus publiceert zijn zoekende zinnen meestal in een artikel, dat vervolgens in een bundel met gelijkgestemde artikelen verdwijnt. Die bundel wordt bezorgd door de universiteitsuitgeverij, gaat naar alle universiteitsbibliotheken en wordt, zeg, twee jaar na verschijning eens besproken in de vakpers.

Het boek van de brutale historicus is vuistdik, het wordt met advertenties en posters aangeprezen, en een doordachte campagne van de commerciële uitgever doet de landelijke media begrijpen dat zij het boek niet mogen missen. Voorpublicaties, recensies op de verschijningsdatum en interviews met de brutale historicus zelf – net zolang tot ook de lezer weet dat hij niet om dit brutale boek heen kan.

De bescheiden historicus is de monnik die zich door provinciale en lokale archieven worstelt. De brutale historicus gaat liever naar de bibliotheek dan naar het archief, leest liever een boek dan een document. De bescheiden historicus krijgt een schouderklopje van zijn collega's in de vakgroep als ze het overdrukje van zijn artikel in hun postvak hebben gevonden. Het boek van de brutale historicus is voer voor columnisten en talkshowpresentatoren, die zich voor hun oordeel meestal baseren op een recensie of een interview met de auteur.

Denk niet dat de brutale historicus er maar een slag naar slaat. Hij is namelijk vaak de perfecte tolk van bescheiden collega's. Zij het dat hij zich wel gedwongen voelt om hun bescheiden vondsten op te peppen met zijn eigen brutale inzichten.

Het natuurlijk leefgebied van de brutale historicus ligt in de zwarte bladzijden van de geschiedenis. Want je kunt wel heel brutaal schrijven over Karel de Grote of Michiel de Ruyter, maar dat is ongeveer even spannend als belletje trek bij invaliden. De zwarte bladzijden van de Tweede Wereldoorlog en zijn nasleep zijn de afgelopen jaren uitermate brutaal beschreven. En van de opmerkelijkste boeken kun je de bescheidener voorgangers meestal meteen aanwijzen. Norman Finkelsteins The Holocaust industry deed vorig jaar veel meer stof opwaaien dan Peter Novicks The Holocaust and collective memory (1999). Finkelstein volgt nauwgezet Novicks grondgedachte: de jodenuitroeiing is pas de algemene Amerikaanse maatstaf voor menselijk lijden geworden in de jaren zestig, toen deze gedachte in politiek vruchtbare bodem viel door de ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Tot Finkelstein met een brutale zwiep het stuur omgooit en op een frontale botsing aankoerst: Amerikaanse joden hebben het lijden in de Tweede Wereldoorlog geclaimd en verdraaid ten eigen bate.

In Nederland is het brutaalste boek van de laatste tijd Grijs verleden van Chris van der Heijden (waaraan het citaat in de eerste alinea is ontleend). De auteur zet zich af tegen het moralisme van Lou de Jong en diens 14-delige standaardwerk over de oorlog, om vervolgens dezelfde morele maatstaven te hanteren en het tegenovergestelde te beweren.

Het meest bescheiden recente geschiedwerk over de Tweede Wereldoorlog moet haast per definitie aan onze aandacht ontsnapt zijn, maar dicht in de buurt komt in elk geval Wat toeval leek maar niet was. De organisatie van de jodenvervolging in Nederland (waaraan dat andere citaat is ontleend). Hierin presenteren historici, sociologen en politicologen nieuw empirisch onderzoek rond een en dezelfde vraag: ,,waarom zijn in de Nederlandse bezette gebieden naar verhouding zo vele joden weggevoerd?'

In zeven artikelen, van wisselende kwaliteit en wisselende overtuigingskracht, pogen de auteurs dat ene getal (75 procent van de joden in Nederland gedood) te relativeren in de wetenschappelijke betekenis van het woord. De een vergelijkt die 75 procent met de 25 procent van Frankrijk, en verklaart het verschil niet uit slappe volksgeest of het al dan niet voorhanden zijn van voldoende struikgewas en bergen voor onderduikers, maar uit de mate waarin de Duitse ambtenaren die de jodenvernietiging planden, hier hun gang konden gaan. En dat konden ze in Nederland meer dan in Frankrijk.

Anderen hebben die Nederlandse 75 procent nog eens goed onder de loep gelegd en zien dan ineens opmerkelijke lokale en regionale verschillen. Soms trekken ze wel erg vergaande conclusies uit kleine gegevens (het klinkt bijvoorbeeld nogal anders of 50 procent van de joden uit Houten is weggevoerd, of dat je zegt: een van de twee joden die toen in Houten leefden), maar andere uitkomsten zijn echt opmerkelijk en bieden (pogingen tot) nieuwe verklaringen voor de hoogste getallen van deportaties. Zo blijkt dat de aanwezigheid van verzetsorganisaties nauwelijks verband houdt met een bijzonder gering aantal afgevoerde joden.

Het zijn loffelijke pogingen om de vraag te beantwoorden die, zoals de redacteuren Henk Flap en Marnix Croes het uitdrukken, ,,de geschiedschrijving over de oorlog sinds een jaar of tien domineert'. En niet alleen de geschiedschrijving, kun je daaraan toevoegen. Ook de publieke opinie over de Tweede Wereldoorlog is verschoven van het verzetsperspectief – welke houding namen de Nederlanders in ten opzichte van de Duitse bezetter? – naar het omstandersperspectief – welke houding namen de Nederlanders in ten opzichte van de slachtoffers van de bezetter?

De schuld van Nederland ten opzichte van de slachtoffers inmiddels zózeer geaccepteerd als de correcte weergave van de historische werkelijkheid, dat het alweer een cliché is geworden. Zoals in de jaren veertig en vijftig de mythe van `een klein maar onverschrokken volk' in het collectief brein van Nederland werd gebeiteld, zo is daar nu het cliché van de slapjanussen, die de joden hielpen instappen in de trein naar de kampen en vervolgens hun spullen voorgoed `in bewaring' namen.

De ontwikkeling naar erkenning van de Nederlandse schuld jegens de slachtoffers van de oorlog is de laatste jaren, zoals dat heet, in een stroomversnelling gekomen. Steeds meer publicaties en belangengroepen zetten de regering zodanig onder druk, dat vorig jaar is besloten extra geld uit te keren aan bepaalde categorieën slachtoffers. Ze kregen al uitkeringen voor wat ze in de oorlog hadden meegemaakt. Nu beloofde de regering nog honderden miljoenen uit te keren voor wat hun na de oorlog is aangedaan: de `kille, koude ontvangst' die de Nederlandse samenleving hun bereidde. En aangezien het de overlevenden naar eigen zeggen niet in de eerste plaats om het geld maar om erkenning gaat, heeft dezelfde regering ook nog eens miljoenen vrijgemaakt voor historisch onderzoek naar de terugkeer en opvang van oorlogsslachtoffers.

Van dat onderzoek, uitgevoerd door de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO), zijn gisteren de eerste twee publicaties uitgekomen. Een vuistdik boek, De Meelstreep, van de Leidse historicus Martin Bossenbroek. En het half zo dunne Mensenheugenis, onder redactie van Hinke Piersma. Boeken met een heel verschillende functie, wat al blijkt uit het feit dat de slachtoffers die zijn geïnterviewd voor Mensenheugenis, dit boek gratis krijgen, terwijl ze De Meelstreep met korting kunnen kopen. Mensenheugenis, onderverdeeld in negen artikelen voor negen categorieën teruggekeerden, lijkt vooral bedoeld als therapie voor de geïnterviewden – waarmee ik niks kwaads gezegd wil hebben over de kwaliteit van de artikelen. Het blijven ontroerende en hartverscheurende getuigenissen. Joden die uit concentratiekampen terugkeerden en in de rij moesten wachten voor registratie, vroegen of ze even, buiten de rij, tegen de muur mochten leunen. `Jullie joden hebben altijd wat', snauwde de agent, `blijf staan waar je staat. Stel je niet aan. Die flauwe smoesjes van jullie.' Of mannen die terugkeerden uit de Arbeitseinsatz en die weer bij hun oude werkgever kwamen. En vertelt hoe hij bij zijn baas op kantoor kwam voor een werkbespreking. ,,Er waren enkele stoelen tekort, en toen werd tegen mij gezegd: `Blijf jij maar staan, jij hebt in Duitsland gewerkt'.'

De interviews uit Mensenheugenis heeft Martin Bossenbroek gebruikt voor De Meelstreep. Gebruikt - om zijn boek een compleet andere toon te geven dan Mensenheugenis. Bossenbroek zet de getuigenissen tegen elkaar af, hij zet ze af tegen wat hij elders heeft gelezen en geeft ze daarmee meestal een andere lading.

Wat gebeurt er bijvoorbeeld als je deze twee getuigenissen leest over het Veemgebouw in Eindhoven, het grootste opvangcentrum in zuidelijk Nederland? De schrijver G.L. Durlacher noteert: ,,Een kille kampsfeer hangt daar als een loden wolk. Oneindige zalen zonder bedden, zonder stoelen. Op de stenen vloer donkere stromatrassen, meters lang en breed als perken op beton. [...] Een enkeling slaapt alsof niets hem kan deren, een ander kreunt en knarsetandt. Luidsprekers aan het plafond schetteren boodschappen en roepen namen af van hen die zich bij een loket moeten melden. Voor het eten loeien sirenes. Rijen staan voor waterkranen en wc's.'

Een vrouwelijke gevangene uit Theresienstadt, H. Wolff, vond van hetzelfde Veemgebouw: ,,Dat was ongelófelijk! Toen liep iedereen ook haast te huilen, dat was zoiets ontroerends. Daar stonden ze met chocola en allerlei lekkere dingen. En daar waren dus matrassen neergelegd. Door elkaar heen, hoor [...]. Dat vond je al gewoon en je sliep heel goed.'

Als twee mensen dezelfde omstandigheden zo verschillend beoordelen, dan moet het, schrijft Bossenbroek, ,,ook te maken hebben gehad met de omvang en de aard van de persoonlijke verliezen en de mate van ontmenselijking tijdens de oorlog'. Terwijl de afgelopen jaren in verschillende publicaties steeds met een beschuldigende vinger is gewezen naar `de overheid' en `de samenleving', kan Bossenbroek precies aanwijzen waar persoonlijke omstandigheden een belangrijker factor waren in het gevoel onrechtvaardig behandeld te zijn.

Zo, maar zonder de door slachtoffers ervaren kilte van de ontvangst te bagatelliseren, probeert Bossenbroek vanuit andere invalshoeken het cliché van de ongevoelige en aan regels vasthoudende overheid te benaderen en reliëf te geven. Dat is de voornaamste reden om zijn boek te prijzen.

Hij kan helder en ongenadig uiteenzetten waarom de organisatie van de terugkeer na 5 mei 1945 een chaos was: het pas bevrijde land verkeerde aan de rand van de afgrond, de transportmogelijkheden waren bedroevend, en de verschillende overheidsinstanties die zich voor de repatriëring verantwoordelijk voelden, raakten in een competentiestrijd verwikkeld. Zo kwamen geen Nederlandse vertegenwoordigers de Nederlandse gevangenen in concentratiekampen opzoeken na de bevrijding – terwijl andere landen direct hun liaison officers ter plekke hadden om de slachtoffers eerste hulp te geven.

Maar hij kan even helder en ongenadig oordelen over de `natuurlijke neiging de eigen oorlogslast het zwaarst te voelen.' In die passages zal De Meelstreep misschien geen aangenaam boek zijn voor de slachtoffers van wat wel `de moeizame vrede' is genoemd. Er staan vinnige zinnetjes in. Bijvoorbeeld dat voormalige verzetsstrijders ,,een streepje voor hadden op andere categorieën oorlogsslachtoffers' Maar dat ze dan ,,toch ontevreden en gedesillusioneerd' zijn. Of, over de repatrianten uit Nederlands-Indië: ,,Vergeleken met andere groepen oorlogsslachtoffers hadden [zij] geen bijzondere reden tot klagen over [...] de gang van zaken bij de terugkeer.' Bossenbroek zegt over de onvrede van de Indische groep, de verzetstrijders en de politieke gevangenen dat het ,,vooral hooggespannen verwachtingen zijn geweest die hun parten hebben gespeeld'. Aan de andere kant constateert hij een ,,bijziendheid als het ging om het joodse leed'.

Dit zijn pijnlijke passages voor mensen die sinds de oorlog in categorieën van erg, erger en ergste leed zijn gaan denken. Mensen zoals die voorzitter van een belangenorganisatie van Indische oorlogsslachtoffers, die in 1948 voor de radio zei: `Rotterdam was erg, maar Indië was erger.' Dat zijn mensen die van dit onderzoek ongetwijfeld nu eindelijk eens een vorm van erkenning verwachtten die aan hun leed recht zou doen.

Categorisering is een van de akeligste en taaiste fenomenen die Bossenbroek beschrijft. Omdat alle slachtoffers naar hun `categorie' grijpen om aanspraak te maken op voorzieningen of erkenning. En omdat ze vrijwel voortdurend in hun tegendeel verkeert. ,,Het was heel aardig dat ze opeens geen verschil meer wilden maken tussen joden en niet-joden, maar voor ons was het verschrikkelijk', schreef een Duits-joods gezin dat Nederland na de bevrijding niet in mocht.

In de categorisering toont zich eerst recht de kilte van de ontvangst. De geschiedenis van de hulpverlening en het rechtsherstel is doortrokken van telkens weer iets gewijzigde normen, die voortdurend in het parlement moeten worden bevochten op onwillige regenten. En die vervolgens met een formalistische kramp worden toegepast op de betrokkenen. Hier dringt zich uit de verhalen van de evacués van toen, een sterke associatie op met de evacués van nu. Asielzoekers die naar Nederland komen, kunnen dit citaat over de behandeling van oorlogsslachtoffers op ongetwijfeld zichzelf betrekken: ,,Een slopende, met paperassen en procedures uitgevochten strijd tussen oorlogsgetroffenen en tactloze, trage instanties.'

Bossenbroek heeft een scherp oog voor de invloed van personen op het verloop van gebeurtenissen. Zo neemt hij de ruimte om majoor Van Os van Delden, organisator van de repatriëring van de honderdduizenden ontheemde Nederlanders in Europa en Azië, uit te tekenen en toont hij daarmee aan dat diens persoonlijke ambities het verloop van de hele operatie beslissend hebben beïnvloed.

Nog overtuigender is zijn betoog waar hij de maatschappelijke context schetst. Zo komt hij tot een van de opmerkelijkste conclusies van het boek. Opmerkelijk in het licht van de vorig jaar door premier Kok aangeboden excuses voor de `kille ontvangst'. ,,Er (was) volop aandacht voor de psychische en emotionele nood van oorlogsslachtoffers.' Alleen, in de maatschappelijk context van die jaren werd die nood niet opgevat als een probleem voor het individuele slachtoffer, maar als sociaal probleem voor `de volksgemeenschap'.

Zo vond de Stichting Opbouw Drenthe dat repatrianten uit Indië, en dan vooral de huisvrouwen onder hen, het best konden leren ,,zelf huishoudelijke arbeid te verrichten' en ,,met haar inkomen rondkomen'. In Groningen werden ,,onder het breien, een belangrijke Hollandse cultuuruiting, gesprekken gevoerd over huishouding opvoeding e.d.' Als iedereen maar normaal deed, dan zou het vanzelf weer normaal zijn.

Bossenbroek accepteert dat het primaat van de volksgemeenschap nu eenmaal de heersende opvatting was. Hij had naar mijn oordeel ook tot een andere conclusie kunnen komen. Hij haalt immers verschillende bronnen van vlak na de oorlog aan, die vrijwel exact aangaven wat er niet deugde aan de opvang. Zoals de voorzienende psychiater A.M. Meerloo, die schreef: ,,Een weifelende overheid kan hierin schadelijk werken als zij al te generaliseerend en ambtelijk met de repatrianten omspringt. Het gevecht met de bureaucratie en ambtelijke generalisaties werkt als een roode lap op een stier. Teveel aan papier verbittert. Ieder wil individueel en menschelijk bekeken worden.'

Dat de oorlogsslachtoffers hardnekkiger neurosen hadden dan met de toekenning van een radio konden worden bestreden, drong pas langzaam tot de samenleving en de overheid door. Waarom dat zo lang duurt – tot ,,het laatste kwart van de twintigste eeuw', schrijft hij – daar heeft Bossenbroek geen bevredigende verklaring voor (Novicks boek staat ook niet in de literatuurlijst). Het is de enige echte lacune in De Meelstreep, dat verder tegelijkertijd genuanceerd en scherp is.

Wat Bossenbroek in De Meelstreep doet, is wat de auteurs van Wat toeval leek maar niet was op hun bescheiden manier ook hebben gedaan: de vraag waarvan het antwoord tot cliché is gestold, opnieuw stellen en een nieuw antwoord zoeken. Brutaler dan mee te rijden op de golven van de publieke opinie en daar even bovenuit te schreeuwen, is het om de clichés te betwijfelen, ze te onderzoeken en te bewijzen dat het net iets anders zit – zelfs al ligt dat bewijs onder een laag van academische mitsen en maren, zoals bij het boek van Flap en Croes.

Bij De Meelstreep komt daar nog eens de prettige stijl van Bossenbroek bij, die zich in zijn voorwoord nogal nadrukkelijk als literair angehaucht presenteert. In eerdere boeken – hij schreef veel over Indië, zijn vorige boek ging over prostitutie in de negentiende eeuw – is die stilistische bevlogenheid nogal eens als hinderlijk ervaren door recensenten. Gelukkig is De Meelstreep tamelijk sober gebleven. Alleen in het eerste en laatste hoofdstuk laat Bossenbroek zich, nodeloos, even gaan.

Blijft over: een vuistdik boek, van een commerciële uitgever, met veel poeha en media-aandacht gepresenteerd en mèt alle eerbied voor archiefwerk en bijzonder bronnengebruik. Martin Bossenbroek combineert in De Meelstreep de beste eigenschappen van de brutale en de bescheiden historicus. Nu maar hopen dat hij school maakt. En dat hij een publiek vindt; de oplage van 5.000 exemplaren is aan de bescheiden kant.

Martin Bossenbroek: De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Bert Bakker, 688 blz. ƒ68,32, tot 1 januari 2002. Daarna ƒ79,33

Hinke Piersma (red.): Mensenheugenis. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Getuigenissen. Bert Bakkker, 294 blz. ƒ57,30, tot 1 januari 2002. Daarna ƒ68,32

Henk Flap en Marnix Croes (red.): Wat toeval leek te zijn, maar dat niet was. De organisatie van de jodenvervolging in Nederland. Het Spinhuis, 207 blz. ƒ42,40

    • Bas Blokker