Te paard de wereld uit

Roger Scruton had het in mei 1968 allemaal door, toen hij uitkeek over de brandende Parijse barricades: dit ging volstrekt de verkeerde kant op. Hij legt uit waarom in De betekenis van het conservatisme, een lezing die hij hield voor de prille Edmund Burke Stichting van Nederlandse conservatieven en die nu in boekvorm is verschenen. De jaren zestig brachten de `ramp' van de seksuele bevrijding, de teloorgang van gezag, en een stuurloos hedonisme. Met die cultuurkritiek, zijn degelijke filosofische achtergrond en zijn originele, scherpe pen, is Scruton (57) de held van jonge Nederlandse conservatieven die wat willen. Hij is polemisch, erudiet, een arbeiderszoon die gentleman werd, pas getrouwd, hij spreekt zijn talen en ziet er goed uit.

Maar hoe conservatief is hij? Scruton prijst in zijn rede vooral de prudente levenshouding van het conservatisme, de afkeer van abstractie en utopisme, kortom de `absolute concreetheid' waarmee alles wordt benaderd. De aantrekkingskracht van zo'n nuchtere houding op een filosoof is begrijpelijk. Toch is het de vraag of Scruton met zijn fel polemische werk en zijn `voorbeeldige leven' op het platteland in Wiltshire (aldus Andreas Kinnneging in een nogal dweperig voorwoord) het conservatieve pathos vertegenwoordigt. `Ik ben op zoek naar een verloren ervaring van thuis-zijn', schrijft Scruton zelf over zijn motieven. Hij heeft heimwee naar een Gouden Tijdperk, een gesentimentaliseerde versie van Edwardiaans Engeland, toen de mens nog in een organische samenhang leefde met de natuur (althans, het aangeharkte Engelse platteland) en met vorige en toekomstige generaties. Uit dat paradijs is de mens verdreven door het `duivelswerk' van het marxisme en filosofen als Foucault, die gebrek aan ontzag voor autoriteit predikten, en argwaan en wantrouwen zaaiden. Over Foucault sneert Scruton, in een oprisping van vulgariteit, dat die stierf aan aids, `het resultaat van zijn geboemel in de badhuizen van San Francisco, die hij bezocht tijdens zijn zwaar gesubsidieerde tournees als intellectuele beroemdheid'. Barmhartigheid is een kunst die deze selfmade conservatief niet verstaat, dat is duidelijk.

Zijn hatelijke kwalificatie van Foucault wijst er al op dat Scruton niet de evenwichtige, kalme conservatief is die hij paardrijdend en pianospelend zo hartstochtelijk wil zijn. En inderdaad, in zijn kritiek op de massacultuur hanteert hij juist de retoriek, overdrijvingen en gemeenplaatsen die hij zo zegt te haten in het wereldvreemde ideologische denken. In de `ramp' van de seksuele bevrijding ziet hij niets minder dan `een teloorgang van heel het voortplantingsproces', in Amerika hebben natuurlijk `rechtszaken de plaats ingenomen van gewone beleefdheid', enzovoorts. Het is kritiek die aanspreekt juist in de overdrijving, en die eerder getuigt van een utopische dan van een prudente inborst. Als de jonge Nederlandse conservatieven Scruton volgen in zijn retoriek, sarcasme en nerveuze hang naar een pre-urbane idylle, kiezen ze de snelste manier om zichzelf buitenspel te plaatsen.

Roger Scruton: De betekenis van het conservatisme. Met een inleiding van Dr. A.A.M. Kinneging. Edmund Burke Stichting/Aspekt, 48 blz. ƒ19,95