Steve Earle weet het beter

Steve Earle is niet de geringste onder de popmuzikanten van de wat oudere generatie. Hij debuteerde in 1986 met Guitar Town, maar ondergroef zijn potentiële sterrendom al snel met een (bijna) allesverwoestende drugsverslaving die hem tot een schijnbaar hopeloos bestaan aan de zelfkant en in de gevangenis bracht. Maar vanaf het midden van de jaren negentig, na een langdurige afkickperiode, was hij weer helemaal terug en produceerde hij een reeks gelouterde platen met grotendeels zelfgeschreven materiaal van hoog niveau.

En nu is er dan het eerste product van Steve Earle de schrijver: een verhalenbundel die soms zwaar leunt op eigen levenservaring en maar weer eens laat zien dat liedjes- en verhalenschrijven twee totaal verschillende métiers zijn. Het beste, en enige werkelijk geslaagde verhaal is het titelverhaal, dat een natuurgetrouw geconstrueerd verslag lijkt van het dieptepunt van Earles junkie-bestaan. Het toont een flard uit het jachtige, geobsedeerde leven van de verslaafde Bobby Charles (waarom deze naam, van een bestaande collega singer-songwriter?) voor wie maar één ding belangrijk is. Earle laat mooi zien hoe junkies hun eigen geografie hebben, `van duistere angstaanjagende plekken verscholen van de echte wereld achter een façade van palmbomen en stucwerk. Junkies kunnen niet regelrecht van A naar B zoals andere mensen, met name omdat een volgende hit altijd ergens halverwege ligt.' Een verhaal dat erin hakt, maar dat nog beter zou zijn geweest als de schrijver niet de behoefte had gevoeld de positieve wending in zijn eigen biografie (`uiteindelijk begon hij weer door de kritiek gewaardeerde en redelijk succesvolle platen te maken alsof er niets gebeurd was') als afsluiting te gebruiken.

Ook het verhaal `Wheeler County' heeft iets mooi oer-Amerikaans in thematiek en tempo, maar voor het overige valt het allemaal niet mee. Earles metaforen zijn dikwijls aftands en zijn stijl doet vermoeden dat zijn literaire voorbeelden moeten worden gezocht in de wereld van de `snappy hard boiled' misdaadschrijvers. De dieptepunten zijn groter in aantal dan de hoogtepunten. Ronduit slecht is een verhaal over de doodstraf, een onderwerp dat ooit een van Earles beste songs opleverde. De beschrijving van `death row' in Huntsville en van de procedures die aan een executie voorafgaan, zijn adequaat en zakelijk, maar de ontknoping, die een geoefend lezer al vanaf het begin voelt aankomen, is ronduit belachelijk. Earle wekt de indruk oprecht woedend te zijn op de werkelijke moordenaar, een fictiefiguur die hij zelf heeft gecreëerd. Er ligt iets betweterigs in zijn toon hier, en dat geldt in even grote mate voor de drie verhalen waarin Earle als hoofdpersoon een desperado opvoert die simpelweg `the American' heet.

In een liedje moet de schrijver zijn boodschap in enkele welgekozen zinnen zien kwijt te raken, maar hij heeft daarmee ook altijd de uitvlucht van de afsteekroute, en het gevaar van de sentimentaliteit wordt door een melodielijn als het ware onschadelijk gemaakt. In letters op papier is de schrijver geheel op dat papier aangewezen en zijn sentimentaliteit en afsteekroutes dodelijk. Het pijnlijkste is dat te lezen in het slotverhaal `A Well-Tempered Heart' dat op muziek gezet best aardig zou kunnen zijn, maar als verhaal door elke welmenende editor naar de prullenbak zou zijn verwezen.

Steve Earle: Doghouse Roses. Secker & Warburg. 207 blz. ƒ45,80

    • Jan Donkers