Schop in de grond

In Binnen-Mongolië worden op grote schaal eeuwenoude graven geplunderd. De rovers zijn lokale boeren die geen ander inkomen hebben.

De eerste sneeuw viel aan het einde van de zomer, ten noorden van de Gobiwoestijn. Na twee droge zomers had de regen het ook dit jaar laten afweten en wat regen had moeten zijn, viel nu als ijspoeder uit de lucht. Een enkele herder verkocht zijn vee voordat het te laat was. Als zijn dieren al door de sneeuw bij de bodem weten te komen, is er te weinig gras om de winter te overleven. De ramp die zich aankondigde wordt in de Gobi een `dzud' genoemd.

Na twee desastreuze winters treft Chinese boeren rond de Gobiwoestijn hetzelfde lot. Geen regen, geen oogst, geen inkomen. Als gevolg daarvan zullen ook dit jaar de graven van Binnen-Mongolië het moeten ontgelden. De boeren in Binnen-Mongolië, die na de laatste `dzud' hun oogsten hebben zien mislukken, zijn aan het plunderen geslagen.

Het gebied waar de graven liggen is dunbevolkt. Ooit was het een kruispunt van handelswegen, waar Oost en West elkaar ontmoetten. Behalve koopwaar, werden over deze wegen ook buitenlandse godsdiensten China binnengebracht, zoals het boeddhisme en christendom. Aan de Chinees-Mongoolse grens zijn nog altijd de graven te vinden van vroege christenen die zich hier in de dertiende eeuw vestigden. Op hun grafstenen staan lotusbloemen afgebeeld, waaruit Nestoriaanse kruisen oprijzen. Deze vanzelfsprekende vermenging van boeddhistische en christelijke motieven is niet ongebruikelijk in Binnen-Mongolië, waar bronzen kruisen uit de dertiende eeuw met boeddhistische swastika's versierd werden.

Dr. Heleen Murre-van den Berg, specialist in de Kerk van het Oosten aan de Universiteit van Leiden, zegt: ,,Deze mengvormen van verschillende religies zijn natuurlijk interessant. Centraal-Azië was een gebied waar verschillende godsdiensten zoals christendom, manicheïsme en boeddhisme eeuwenlang naast elkaar hebben bestaan en elkaar hebben beïnvloed.''

Op zoek naar deze graven en lotuskruisen bezocht ik deze zomer de grafheuvel van Wang Mu in het grensgebied van China en Mongolië. Overal waren de graven opengebroken en overal was hetzelfde tafereel te zien; boeren die met hun schop over de schouder door hun gortdroge en lege velden naar eeuwenoude grafheuvels liepen. Daar werd de schop in de grond gezet, op zoek naar porselein en andere rijkdommen in de graven. Na een dag spitten lag de grond bezaaid met botten, ribben en een enkele schedel. Soms werd een handvol muntjes gevonden, af en toe een jaden gesp of aardewerk uit de Liao-dynastie. 's Avonds namen de boeren de vondsten mee om ze aan een lokale handelaar te verkopen.

Antiekhandelaren in de Chinese hoofdstad Peking was het al opgevallen dat de graven in Binnen-Mongolië op grote schaal geplunderd werden. Na de `dzud' van 2000 werd de markt plotseling overspoeld met aardewerk uit de Liao-dynastie. De Liao (917-1125 AD) hadden hun hoofdstad in het huidige Binnen-Mongolië ten zuiden van de Gobi. Markante Liao porseleinen schalen in drie kleuren glazuur, en aardewerken waterflessen uit de tiende en elfde eeuw werden plotseling met grote regelmaat aangeboden. De flessen van grof aardewerk zijn nabootsingen van de leren waterzakken die Mongoolse nomaden aan hun zadels bonden. Het aardewerk is bedekt met een dikke laag okergele glazuur en in de gebakken klei zijn leren riempjes en naden getekend.

Een van de antiekhandelaren in Peking benadrukt dat lokale overheden de boeren hun gang laten gaan, om demonstraties en lokale opstandjes van berooide boeren te voorkomen. Volgens de handelaar werkt het mechanisme overal in China. Is er rampspoed in de westelijke provincie Shaanxi, waar de Tang-dynastie (618-907 AD) haar hoofdstad had, dan kunnen de handelaren Tang-objecten verwachten. Afgelopen seizoen liet het grote aanbod van aardewerk uit de graven van Binnen-Mongolië zien hoe moeilijk de boeren het daar hadden. Met de zich aankondigende `dzud' zal dat komend jaar opnieuw zo zijn. Valt er voldoende regen, dan keren de boeren naar hun velden terug. Buiten het plant- en oogstseizoen zal dan een enkele boer nog zijn spade in een grafheuvel zetten, maar het lucratieve graafwerk wordt voornamelijk aan professionele grafrovers overgelaten die van het vinden en roven van graftombes hun bestaan hebben gemaakt. Deze groep zorgt voor een constant aanbod van Chinees antiek.

De professionele grafrovers gaan als gedegen archeologen te werk en doen uitgebreid literatuuronderzoek naar de adellijke Chinese families die met een overvloed aan kostbaarheden in grote graftombes werden begraven. Hun kennis van vegetatie en bodemerosie is fenomenaal. Veel van de oude graven zijn moeilijk te lokaliseren doordat de grafheuvels boven de graven zijn weggesleten. De professionele grafrovers hebben echter een goed oog voor vegetatie en iedere onnatuurlijke verandering in het landschap. Graven houden regenwater vast, en het ontbindende lichaam in het graf beïnvloedt de groei van planten. Ook mineralen en oxiderende metalen in grafobjecten die in de tombe geplaatst werden, stimuleren of reduceren de groei van bepaalde plantensoorten, lang nadat het lichaam ontbonden is. Wanneer de professionele rovers de aanwezigheid van een graf vermoeden, nemen ze clandestiene bodemmonsters, waaruit zij kunnen concluderen of het inderdaad om een graf gaat en in sommige gevallen of het graf al is geopend. De broodwinning is illegaal maar lucratief.

Terracotta leger

Grafroof is geen nieuw fenomeen in China. Het wereldberoemde ondergrondse Terracotta leger in Xian dat de eerste keizer van China in zijn graf had moeten beschermen, werd enkele jaren na zijn dood in 210 v.Chr. al geplunderd. Maar de handel in keramische grafobjecten is recent. Tijdens de aanleg van China's eerste spoorwegen aan het einde van de negentiende eeuw werden talloze graftombes blootgelegd. Niet lang daarna vonden de eerste grafobjecten hun weg naar het Westen.

Het zijn objecten die, zeker op het platteland van China, met een onderwereld worden geassocieerd en die niet zomaar uit de graven worden gestolen en zeker niet in huis worden gehaald. Daarom ligt de markt voor deze objecten voornamelijk in het Westen, waar verzamelaars niet door dergelijke associaties worden geplaagd en waar de objecten om hun vakmanschap en artistieke waarde meer geld op brengen dan in China zelf. Een meerderheid van de kostbare grafobjecten wordt China uitgesmokkeld, al dan niet met hulp van corrupte ambtenaren of douaniers.

Geen van de galeriehouders in Peking zal rechtstreeks van het platteland kopen. ,,Niemand wil het systeem van dit constante aanbod kapotmaken'', legt een antiekhandelaar in Peking uit. ,,Bovendien is het veel te gevaarlijk, grafrovers worden geëxecuteerd.'' Om diezelfde redenen willen de antiekhandelaren ook niet weten waar de objecten zijn opgegraven of vandaan komen. Alleen aan de okergele kleur van een stenen fles in de vorm van een leren waterzak kunnen de handelaren afleiden dat het om een Liao-dynastie graf gaat in Binnen-Mongolië.

Rond de grafheuvel van Wang Mu moeten Ongots gewoond hebben, een volk dat zich ten noorden van de Grote Muur in het huidige Binnen-Mongolië vestigde. De Ongots waren een van de eerste stammen die zich bij de Mongoolse troepen aansloten toen die China binnenvielen. Daarnaast hadden veel Ongots zich tot het christendom van de Kerk van het Oosten bekeerd. De graven van Wang Mu dateren uit de dertiende eeuw en de kruisen die op de grafstenen uit lotusbloemen oprijzen, geven uitdrukking aan de verschillende werelden waarin zij leefden.

In 1936 werden de stenen en lotuskruisen haastig door een Engelse expeditie beschreven en gefotografeerd, voordat de Japanse troepen het gebied binnenvielen. Met het uitroepen van de Chinese Volksrepubliek in 1949 werd het grensgebied gesloten. Het gebied is tot op heden voor buitenlanders afgesloten, en mijn clandestiene bezoek aan het grensgebied was een enerverende en uiteindelijk droeve onderneming. De grafheuvel die ik bezocht was herhaaldelijk het doelwit geweest van grafrovers en de ravage was enorm.

Dat nu juist deze graven geplunderd zijn, is een enorm verlies. Op de grafstenen stonden raadselachtige inscripties met de namen van christenen. Hoewel de graven van Wang Mu voorgoed verloren lijken, is een klein aantal soortgelijke grafstenen bewaard gebleven. In een stenen muur van een dorpje in centraal Binnen-Mongolië vond ik uiteindelijk twee van deze grafstenen en in het noordelijke gelegen stadje Bailing is een aantal stenen met lotuskruisen verzameld. Oorspronkelijk lagen de grafstenen in een boeddhistische tempel, maar ondertussen zijn de erfstukken naar een ommuurde binnenplaats gebracht. Sommige van de stenen zijn tijdens het vervoer gebroken. Als ik de binnenplaats bezoek, is die afgesloten, maar de eigenaar van een bandenwinkel naast het terrein klimt graag met me over de poort om de inscripties op te tekenen.

Dr. Heleen Murre-van den Berg zegt na het zien van de inscripties uit Bailing: ,,De taal van de inscripties is Turks, met veel Syrische woorden, en is geschreven in een lokale variant van het Syrische schrift.'' Dat maakt het bestuderen van de stenen volgens Murre een complexe zaak, waarvoor kennis van verscheidene talen, geschriften, religies en iconografie nodig is. Murre-van den Berg voegt daaraan toe: ,,Het zou een groot verlies zijn als deze graven en stenen zouden verdwijnen. We verliezen daarmee een inzicht in een unieke multireligieuze samenleving.''

Voor de graven van Wang Mu is dat te laat. In een laatste poging om de nog overgebleven buit te vinden werd dit jaar een bulldozer door de zeven eeuwen oude grafheuvel gereden.

Markant Liao-porselein werd plotseling met grote regelmaat aangebodenWe verliezen inzicht in een unieke multireligieuze samenleving

    • Tjalling Halbertsma