Redekunst voor God

Rijmelende dronkelappen. Amateurs. Makers van dichterlijke gedrochten. Het beeld van de rederijkers is nog altijd negatief, niet in de laatste plaats door toedoen van de Tachtigers die – aan het einde van de negentiende eeuw – vonden dat dichtkunst beoordeeld diende te worden op originaliteit en persoonlijke expressiviteit. Ook de renaissancedichters uit de zeventiende eeuw waren weinig gecharmeerd van de in hun ogen overdreven gekunsteldheid van de rederijkerspoëzie en lieten niet na de rederijkers vooral als een stel zuiplappen af te schilderen.

Rederijkerskamers hebben vanaf de vijftiende tot en met de negentiende eeuw bestaan. Aanvankelijk fungeerden ze als hulptroepen voor de rooms-katholieke kerk, vooral bij de productie en uitvoering van kerkelijke spelen, maar naarmate de ideeën van de Reformatie meer gehoor vonden in de Nederlanden werd de band met de kerk losser. Dat proces voltrok zich niet zonder slag of stoot. Zoals Nelleke Moser in haar onlangs in een handelseditie verschenen proefschrift De strijd voor rhetorica op heldere wijze uiteenzet, liep het imago van de rederijkerskamers ook toen al, in de zestiende eeuw, enorme deuken op. Hun pogingen om zich sterk te maken voor de `rhetorica', de kunst van het wel spreken, hadden echter een averechts effect.

Hoe de rederijkers zelf als ware spin doctors hun eigen positie en status verdedigden, wordt door Moser uitvoerig uit de doeken gedaan. Aan de hand van diverse rederijkersteksten laat ze zien dat rederijkers van mening waren dat hun werk gezien moest worden als de vertolking van Gods woord. Daarbij maakten ze gebruik van bijbelse metaforen, vergeleken de rhetorica met de maagd Maria en bedienden zich van de argumentatiestructuur van de laatmiddeleeuwse preken.

Achteraf gezien hadden de rederijkers minder nadruk moeten leggen op hun door God uitverkoren positie. Alleen: ze hadden weinig keus. Hun relatie met de rooms-katholieke kerk was altijd hecht geweest maar door toedoen van de Reformatie kreeg die kerk argwaan tegen hun autonome bijbelexegese, die hen verdacht maakte als verspreiders van het gedachtegoed van de Reformatie. De gereformeerde kerk daarentegen moest niets van rederijkers hebben omdat die haars inziens veel te vrijmoedig met de bijbelstof omgingen.

Vanuit deze optiek is het begrijpelijk dat de Zoetermeerse predikant Petrus Paludanus (Pieter van Brouck) in 1614 fel van leer trok tegen de rederijkerskamers: hun kunst was door de duivel ingegeven en rederijkers gebruiken de bijbel ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Paludanus was niet de enige die zich stoorde aan de rederijkers, die juist hun goddelijke inspiratie ter verdediging aanvoerden. Al aan het einde van de zestiende eeuw verschenen er antirederijkersteksten waarin, met gebruikmaking van dezelfde type metaforen als waarvan de rederijkers zich bedienden, de positie van de laatsten werd ondergraven. Retorica, zo vond men, was niets meer dan een onvruchtbare boom, of een bron die beslist drooggelegd moest worden wilde ze haar omgeving niet vergiftigen.

Nelleke Moser: De strijd voor rhetorica. Poëtica en positie van rederijkers in Vlaanderen, Brabant, Zeeland en Holland tussen 1450 en 1620. Amsterdam University Press, 288 blz. ƒ55,–