Per tram op weg naar het einde

Soms zie je ze nog wel eens rijden, die vooroorlogse, grotendeels houten tramwagons, met een open achterbalkon, opgepoetste koperen handgrepen en een machinist die het rammelende gevaarte, staand achter zijn stuurwiel, voorzichtig door de bochten loodst. De aanblik van zo'n oud model tram heeft – zelfs gevuld met luidruchtige feestgangers of Japanse toeristen altijd iets nostalgisch, een mooi relikwie uit lang vervlogen tijden.

Hetzelfde gevoel van weemoed, van een ontroerend `definitiefverledentijdzijn', bevangt je bij het lezen van Le tramway, de recentste roman van de inmiddels 88-jarige Claude Simon, die in 1985 de Nobelprijs kreeg voor zijn toen dertien, en nu zeventien romans tellende literaire oeuvre.

Simon zal de geschiedenis ingaan als een van de schrijvers die in de jaren vijftig en zestig behoorden tot de groep van de Nouveau Roman vernieuwers van het genre, die korte metten maakten met het traditionele vertelprocédé, die intrige en personages afschaften en de taal zelf het werk lieten doen. Simon werd er in die jaren, net als zijn collega's Nathalie Sarraute, Robert Pinget en Samuel Beckett, van beschuldigd lezers van het boek te vervreemden in plaats van hen aan zich te binden door een toegankelijke vertelvorm. Een moeilijk schrijver, kortom.

Nee, realistisch of psychologisch is ook Le tramway niet en de lezer die uit is op identificatie of een navertelbaar plot komt nog net zo bedrogen uit als toen. Simon schudt de chronologie door elkaar, laat observaties volgen op herinneringen uit een ver verleden, wisselt beelden af met zintuiglijke ervaringen. Zijn zinnen strekken zich over meer pagina's uit associërend, meanderend, verbonden door gedachtestreepjes, komma's of puntjes. Soms, zoals ook in Le tramway, ontbreekt iedere vorm van interpunctie en beginnen zinnen zonder hoofdletter vanuit het niets, om even later net zo abrupt te eindigen. Wie Simon wil proberen te volgen, moet ieder woord hardop uitspreken hoofd erbij, potlood in de hand. Een andere, uitnodigende en misschien wel net zo effectieve methode, is eenvoudig mee te deinen op het ritme van de zinnen, op de klank van de beelden, op de associaties en herinneringen die het boek weer bij jezelf oproept.

De tram uit de titel is de tram uit Simons kinderjaren: een traject van vijftien kilometer dat als metafoor dient voor het traject van een heel leven. Simon beschrijft de tram die hij als jongen vaak nam vanuit zijn villawijk, dichtbij het strand, om naar school te gaan in het centrum van de stad die niet met name wordt genoemd, maar die waarschijnlijk Perpignan is. Hij beschrijft de mannen die stil, rechtop, staan te roken, voorin de tram; de pastelkleurige kaartjes voor de verschillende afstanden; de conversatie van de mannen die benen missen, verminkt door de oorlog; de kleine stekeligheden van de conducteur, die niet wil wachten op de rijkeluisjongens en vlak voor hun neus vertrekt, zodat ze een uur op de volgende moeten wachten; de strandtent waar zijn tante 's zomers `salon' houdt; de huishoudster die ratten levend grilt boven haar fornuis; en de tuin van zijn ouderlijk huis waarin zijn zieke moeder, met haar `mummieachtige sperwerhoofd en haar huid als van gele was' in haar zwarte kleren op hem ligt te wachten totdat, op een dag, haar ligstoel leeg blijft.

Soms refereert Simon vaag, tussen de regels door, aan thema's, personages of gebeurtenissen uit zijn eerdere werk. De sfeer van rouw en bitterheid die er blijkens Les Georgiques (1981) en L'acacia (1989) heerste in het monumentale, verwaarloosde huis uit zijn jeugd, proef je ook in Le tramway en het kolossale marmeren borstbeeld van een roemrijk voorvader staat ook nu te pronken in de salon. De sfeer is van eenzelfde geladenheid, doordrenkt met onuitgesproken, gesuggereerde herinneringen aan Simons eigen oorlogservaringen en de gesneuvelde mannen uit zijn familie, waardoor zijn moeder en grootmoeder te vroeg weduwe werden.

De route van de tram en de opgeroepen wereld die daarbij hoort, wordt gekruist door een ziekenhuistraject. Na te zijn gereanimeerd opent de verteller zijn ogen op de intensive care-afdeling van een ziekenhuis, en komt langzaam bij uit een sfeer van mistige onwerkelijkheid. Stukje bij beetje raakt hij zijn onwezenlijke gevoel kwijt. Hij mijmert over de opschriften die zich binnen zijn gezichtsveld bevinden (`TRANSIT'), zijn medepatiënten, zoals een oudere heer die niets anders doet dan zijn `zilveren haardos' kammen, en, later, over het gangenstelsel van het ziekenhuis waar hij in een rolstoel doorheen wordt gereden.

Simon nadert in Le tramway Marcel Proust dichter dan ooit. Zijn portretten van vergane glorie, van een aristocratie in verval, van schimmige partijtjes tennis en geroddel in salons, van nouveaux riches en dubieuze literatoren zijn zonder meer verwant aan die uit A la recherche du temps perdu. Zoals hij dat al een leven lang doet, schaaft Simon ononderbroken en met meesterhand aan een zelfportret. Ook in Le tramway roept Simon zijn eigen verloren wereld op en spreekt hij over zijn eigen verleden, met zijn eigen woorden en associaties.

Op de laatste bladzijde van het boek peinst hij over `verstikkende onbeweeglijkheid van de lucht', over `fijn dun stof', over een `lijkwade die laurierbomen bedekt' en over `gazonnen verschroeid door de zon, verdorde irissen en een vijver van stilstaand water, onder een ontastbare aslaag, de beschermende nevel van de herinnering' woorden van een groot schrijver die beseft dat hij met Le tramway zijn eindstation nadert.

Claude Simon: Le tramway. Minuit, 141 blz. ƒ37,60

    • Margot Dijkgraaf