Overwicht VS stuit op taaiheid van Afghanen

De Talibaan geven tot veler verbazing na bijna vier weken van verwoestende Amerikaanse luchtbombardementen geen krimp.

Ondanks een reusachtig technologisch overwicht van de Amerikanen en de Britten wijst vrijwel niets erop dat het bewind van de Talibaan op instorten staat. Vorige week nog maakten ze korte metten met de prominente voormalige guerrilla-commandant Abdul Haq die in hun gebieden wilde infiltreren. Deze week wezen ze zelfverzekerd de steun af van Pakistaanse vrijwilligers. Niet nodig, zei de Talibaan-ambassadeur in Islamabad.

Zeker, de Talibaan hebben veel materieel verloren, van vliegtuigen tot tanks, en hun infrastructuur is deels vernietigd. Maar de Talibaan, die het toch al meer van hun lichte wendbare eenheden moesten hebben dan van zware wapens, laten zich door zulke tegenspoed niet snel uit het veld slaan.

Bij de strijd tegen de Russen in de jaren tachtig gingen bijvoorbeeld veel bruggen verloren. Daar wisten de Afghanen, onovertroffen meesters in de improvisatie, wel raad mee. In een oogwenk spanden ze een paar stevige touwen over een rivier met een houten kist eraan. Daarin werden mensen, lichte wapens en zelfs luid balkende pakezels naar de overkant vervoerd. Geen weg meer? Dan maar te voet verder. De Afghanen, ook oudere mensen, zijn vanouds onvermoeibare lopers.

In andere opzichten is het fysieke uithoudingsvermogen van de Afghanen eveneens legendarisch. Weken achtereen kunnen ze zonder klagen toe met wat droge stukken naan, het ongerezen Afghaanse brood, aangevuld met wat water of af en toe een kop thee. Stofstormen of temperaturen ver onder nul? Ze klemmen de kaken op elkaar en slaan zich er doorheen.

In mentaal opzicht zijn ze eveneens zeer gehard. De dood van een familielid of een strijdmakker laat hen uiteraard niet onverschillig. Maar ondanks hun verdriet nemen ze de dingen zoals ze komen en gaan ze meestal op een tamelijk stoïcijnse manier verder. Bovendien is de wetenschap dat deze martelaren rechtstreeks naar de hemel gaan een troost.

De Talibaan kunnen verder profiteren van het feit dat veel Afghanen, zelfs in het niet door hun Pathaanse stamgenoten bewoonde noorden van het land, nog altijd dankbaar zijn voor de relatieve rust en orde die zij halverwege de jaren negentig wisten te brengen. Veel Afghanen zijn bevreesd dat de val van de Talibaan een nieuwe periode van chaos, plunderingen en corruptie zou inluiden, zoals in het begin van de jaren negentig. Overigens melden hulporganisaties inmiddels bezorgd dat de orde hier en daar al begint te wankelen en dat het toch weer tot plunderingen is gekomen.

Een voordeel voor de Talibaan in het huidige conflict is ook dat ze uit een cultuur komen waar wapens en geweld heel gewoon zijn. Terwijl in Westerse landen al grote onrust ontstaat als er ook maar een paar lijkenzakken thuis arriveren, schrikken de Afghanen daar niet van. Integendeel, bij hen overheersen dan veeleer wraakgevoelens.

Dat geldt in het bijzonder voor de Pathanen, de grootste stam in Afghanistan, waaruit ook het overgrote deel van de Talibaan voortkomt. Eer en wraak vormen essentiële bestanddelen van de zogeheten Pukhtunwali, een ongeschreven maar hoogst belangrijke gedragscode voor de Pathanen. Wanneer een Pathaanse familie bij voorbeeld iets ernstigs is aangedaan, worden mannelijke verwanten geacht dat vroeg of laat te wreken.

Een oud Pathaans gezegde luidt: ,,Een Pathaan nam na honderd jaar wraak en zei dat het eigenlijk nog te vroeg was.'' [Vervolg: TALIBAAN: pagina 5]

TALIBAAN

Talibaan ook kwetsbaar

[Vervolg van pagina 1] Pathaanse jongens worden vanaf hun prille jeugd grootgebracht met wapens, die in hun cultuur via allerlei verhalen en zegswijzen worden verheerlijkt, getuige ook deze vaak aangehaalde zin.

Een andere gunstige omstandigheid voor de Talibaan is dat de Pathanen, vooral als buitenlandse `ongelovige honden' hen bedreigen, de neiging hebben één front te vormen. En dan is het kwaad kersen eten met de Pathanen, zoals de Britten halverwege de 19de eeuw en de voormalige Sovjet-Unie in de 20ste eeuw moesten ervaren. Met plezier brengt de ambassadeur van de Talibaan in Islamabad dit verleden dezer dagen steeds in herinnering op zijn persconferenties.

Zijn de Talibaan dan onkwetsbaar voor hun buitenlandse vijanden? Bepaald niet. Ook tegen de Arabische medestrijders van de Talibaan leeft volgens ooggetuigen veel weerzin, omdat ze zich gedragen alsof Afghanistan hun persoonlijk bezit is. Volgens sommige berichten zouden de Arabische vrienden van mullah Omar nu zelfs helemaal de dienst uitmaken. Dit ondermijnt de populariteit van de Talibaan.

Voorts is het Talibaan-bewind in het noorden van Afghanistan, historisch gezien niet hun gebieden, heel wankel. Om te beginnen zijn de meeste inwoners daar niet van Pathaanse komaf. Dat is een belangrijk gegeven in een land, waar de etnische tegenstellingen de afgelopen 20 jaar als gevolg van de bloedige burgeroorlog enorm zijn verscherpt. Er heerst tegenwoordig een diep onderling wantrouwen tussen de Tadzjieken, de Oezbeken, de Hazara's en de Pathanen. De meeste Oezbeken en Tadzjieken in het noorden en de Hazara's in het midden zien de Talibaan alleen al om die reden nog liever vandaag dan morgen vertrekken.

Verder is er de religieuze scherpslijperij waarmee de Talibaan in de conservatiefste delen van hun eigen Pathaanse gebieden misschien waardering oogsten maar waarmee ze in het relatief liberale noorden de mensen alleen maar tegen zich in het harnas hebben gejaagd. Daar heeft men, zeker in steden als Herat en Mazar-i-Sharif, niets op met de sluiting van meisjesscholen, de verplichte lange baarden voor mannen en het wegdrukken van de vrouw uit het openbare leven. Ook de incompetentie waarmee de Talibaan omgingen met de gevolgen van de rampzalige droogte van de afgelopen jaren, leverde hun weinig vrienden op. Vele duizenden mensen sloegen daarom op de vlucht.

Een open vraag is ten slotte hoe loyaal de Pathanen zelf zullen blijven aan de Talibaan. Weliswaar genieten ze op dit punt geen grote reputatie – `vertrouw liever een slang dan een hoer en een hoer liever dan een Pathaan', aldus een oud Afghaans gezegde – maar zolang er geen geloofwaardige alternatieve regering is met een aanzienlijke Pathaanse rol erin is de kans klein dat ze plotseling overstag zullen gaan. Een geruststellende gedachte voor Osama bin Laden en zijn metgezellen.