Ook wij waren in Venetië

De televisie ensceneert de werkelijkheid, via internet kan men een tuin verzorgen en in de film `A.I.' zijn robots net mensen. ,,Hoe echt zijn onze gevoelens nog in een onechte wereld?''

Ik was erop voorbereid, maar toch was het een verbluffend gezicht: in een van de nieuwste hotelcomplexen van Las Vegas, The Venetian, kun je een gondeltochtje maken door een namaak-Venetië, compleet met kanalen, bruggen en zingende gondoliers. De façade van het hotel-casino bestaat uit een op schaal nagebouwde gevel van het Dogepaleis, je gaat naar binnen over een replica van de Brug der Zuchten. Overal begroet het personeel je met een monter `buon giorno'. De gondeltocht voert langs een op schaal nagebouwd San Marco-plein onder een blauwe surrogaathemel. Natuurlijk zijn er restaurants met een authentieke Italiaanse keuken, vanzelfsprekend kun je er hoorntjes met handgemaakt gelato krijgen. Het is allemaal overdekt, daglicht ontbreekt, in al zijn massaliteit is het toch vreemd besloten, als een cocon. Buiten schroeit de woestijnzon het asfalt, binnen ben je in een andere wereld.

Wat voor wereld is dat? The Venetian, en de andere grote nieuwe themahotels van Las Vegas (een paar honderd meter van dit kunstmatige Venetië word je in de schaduw van de Eiffeltoren en de Arc de Triomphe met een blij `bonjour' welkom geheten), zijn de beroemdste voorbeelden van de zogenaamde georganiseerde ervaring, zoals bezongen in studies als The Experience Economy. Naast het gokken en shoppen in luxewinkels wordt je een complete atmosfeer aangeboden, een belevenis, die uiteindelijk alleen naar zichzelf verwijst - anders zou je maar ergens anders naartoe willen. Dat is het eigenaardige aan The Venetian: enerzijds lijkt alles er op het echte Venetië, is alles daar opzichtig nagemaakt, tegelijkertijd staat het themahotel helemaal op zichzelf. Het Italiaanse Venetië wordt niet domweg nagedaan, zoals bijvoorbeeld in Madurodam Nederland op schaal wordt nagedaan, het wordt vervangen. Dat maakt het tot zo'n vreemde ervaring. Het Japanse gezin - man, vrouw, twee kleine meisjes met ogen vol verwondering - dat zich onder het zingen van `O sole mio' in het computergestuurde avondlicht langs het San Marcoplein laat roeien, denkt vermoedelijk geen seconde aan het echte Venetië aan het andere einde van de wereld; daar zijn ze nooit geweest, en waarschijnlijk zullen ze er ook nooit komen. Ze kennen Venetië als een aantal losse beelden en nu bevinden ze zich even in die beelden zelf - ergens tussen verbeelding en werkelijkheid in. Alles wat ze vanuit hun schommelende gondel zien is een tastbare realiteit en wekt letterlijk indrukken, en tegelijkertijd is het onmiskenbaar onecht. Dat laatste wordt niet als een tekortkoming gezien. Het is hun Venetië.

Dat reële ervaringen onwerkelijk kunnen zijn, we raken er langzaam aan gewend. En ook aan het omgekeerde: via het beeldscherm van televisie en computer kunnen we geloven dat we de werkelijkheid die ver van ons is dicht op de huid zitten. De gondeltocht in de woestijn van Nevada is verwant aan een andere vorm van kunstmatige werkelijkheid, die je vrijwel dagelijks kunt zien: de georganiseerde realiteit op televisie. De meest extreme vorm van reality-drama zijn de zogenaamde survivor-programma's, waarin je getuige bent van een groep burgers die onder camerabegeleiding de wildernis wordt ingestuurd; meestal gaat het om een onbewoond eiland, omringd door een rimpelloze, azuurblauwe zee. Alles is echt en direct op deze plekken. De tijdelijke bewoners moeten het doen zonder televisie of telefoon, alle techniek die tegenwoordig in de westerse wereld tussen een mens en zijn omgeving staat is door de programmakers verwijderd. Ze zijn volledig aan de natuur overgeleverd. Er wordt op rieten matten geslapen, handmatig een vuurtje aangestoken, vreemde beesten moeten noodgedwongen worden gedood en opgegeten. Anders dan in het geval van The Venetian is het kunstmatige aan dit soort programma's juist het nadrukkelijk echte van de ervaring; we zien de deelnemers ondervoed raken, we zien echt bloed uit hun schaafwonden lopen, we zien ze in close-up het einde van hun Latijn bereiken. Wat hier georganiseerd wordt is het directe contact met het natuurlijke leven dat de deelnemers – een secretaresse, een salesmanager, een computerdeskundige – in hun eigen dagelijkse bestaan allang zijn kwijtgeraakt, en wijzelf ook. Maar het blijft een televisieprogramma, en in die zin onecht. De kijker beleeft al die reële ontberingen op afstand, in beeld gebracht en dramatisch geordend door de makers. Wat de mannen en vrouwen op het eiland werkelijk meemaken – de schok van een leven zonder technische hulpmiddelen, de onverwachte hardheid van het directe contact met de natuur – blijft voor ons een uiterst realistische schijnvertoning.

Het is een paradox die her en der filosofische zorg baart. Hoe verhoudt zich het tochtje in de gondel van het Japanse gezin tot het echte Venetië? Zijn reality-programma's op televisie - parkeerwachten Wim en Diana leggen onder luid protest van een foutparkeerder een wielklem aan, de mooie transseksueel Kelly breekt alweer een nagel - reëler dan dramaseries, waarin acteurs teksten van anderen zeggen? Hoe kan iets echt en onecht tegelijk zijn? Wat voor invloed hebben al die dagelijkse schijnervaringen op onze houding tegenover de wereld buiten onze geest? Beleven we de direct waarneembare werkelijkheid om ons heen ook op een andere manier?

De verzameling essays The Robot in the Garden (onder redactie van Ken Goldberg, 2000), waarin historici, filosofen, kunstenaars en wetenschappers een antwoord proberen te vinden op deze kentheoretische vragen, ontleent zijn titel aan een veelzeggend experiment: de zogenaamde `Telegarden', een experiment van Oostenrijkse kunstenaars, waarbij mensen van over de hele wereld via het internet een tuin konden verzorgen; een kleine robot kon opgedragen worden zaadjes te planten en water te geven. Daarbij was dus geen sprake van een virtuele werkelijkheid, eerder van een werkelijkheid op afstand. Een paar aanslagen op een toetsenbord in bijvoorbeeld Rotterdam had zichtbare gevolgen voor het echte Oostenrijkse tuintje; daar groeiden echte plantjes, die ook echt dood zouden gaan als ze geen water kregen. Tegelijk zal geen van de verzorgers op afstand dit stukje natuur ooit werkelijk aanschouwd hebben, of geroken, en eigenhandig het onkruid hebben gewied of de uitgebloeide bloemen verwijderd. En dan is er ook nog de onzekerheid die steeds fundamenteler wordt naarmate het aantal schijnervaringen toeneemt: wie zegt ons dat het beeld dat op het computerscherm verschijnt ook echt de werkelijkheid is? Het is heel goed mogelijk dat er gemanipuleerd is. Het kan om oude, opgenomen beelden gaan, de werkelijkheid die je voor je ziet kan heel goed op allerlei manieren verdraaid of `gelogen' zijn. Het blijven beelden.

In het televisieprogramma Blind vertrouwen worden jongens en meisjes `geconfronteerd' met filmopnames van hun partners, die een paar kilometer verderop aan een of andere Spaanse seks-en-drank-costa zijn blootgesteld aan allerlei verleidingen. De beelden zijn onmiskenbaar echt, de context van die beelden is echter schaamteloos gemanipuleerd, zodat er van alles gesuggereerd wordt om de stelletjes maar aan het twijfelen te brengen over hun liefde voor elkaar. De programmamakers spelen ongegeneerd de rol die Iago in Othello speelt; maar hun insinuaties zijn ogenschijnlijk reëel. Ze hebben immers beelden om de misdragingen van de geliefde aan te tonen?

Wat is nog echt in een dagelijkse wereld die aantoonbaar steeds kunstmatiger wordt, waarin de ervaringen steeds minder direct worden? Symbool van die angstige vraag is de robot. In de figuur van de robot komen alle netelige kwesties over echt en onecht, mens en machine, en de directe ervaring op afstand samen. Dat hij de planten water geeft wanneer wij hem daartoe opdragen, daar valt niemand over, maar wat als hij binnenkort zijn eigen tuintje gaat onderhouden? Wat wanneer iets dat bewijsbaar onecht is zich op het gebied van de menselijke ervaring begeeft, en behalve een echt verstand ook zoiets als een echte wil ontwikkelt? Maakt dat onszelf nog minder menselijk dan we al zijn?

Sommigen denken van niet. Twee weken geleden interviewde Anna Tilroe in het Cultureel Supplement het kunstenaarsduo Erwin Driessens en Maria Verstappen, dat met artificiële intelligentie werkt en de kunst het liefst zou automatiseren. Driessens: ,,Ik leg mijn expressie bij voorkeur in een ding dat losstaat van mijzelf als mens. Dat is tenminste zuiver en helder. Met een machine kun je die afstand creëren. Bovendien produceert de machine zelf ook weer wat''. Het duo heeft een hekel aan het woord kunst, dat klinkt zo menselijk; het is juist de totale onpersoonlijkheid van de machine die hen aantrekt, de machine is immers `zuiver en helder'. Hun ideale kunst is een niet-menselijke kunst. De menselijke geest is tenslotte hopeloos beperkt en subjectief, de machine schept `afstand en objectiviteit'. Heerlijke nieuwe wereld.

Afstand en objectiviteit; die begrippen vormen nu juist de hete hangijzers voor degenen die de steeds verdergaande mechanisering van de werkelijkheid met angst en beven tegemoet zien. Wat gebeurt er met onze al te menselijke gevoelens, wanneer we de wereld als een grote machine gaan zien, wanneer we de robot in onszelf ontdekken? (Verstappen: ,,Door van het machinale uit te gaan kun je onderzoek doen zonder dat het materiaal en de systemen die je gebruikt al bij voorbaat geladen zijn met betekenis. Dan pas zijn echt nieuwe dingen mogelijk.'') Sommige wetenschappers voorspellen dat we binnen honderd jaar met een robot naar bed gaan; en reken maar dat dat betere seks oplevert. Maar worden we daar niet minder mens van? Slechts weinig mensen zullen zich zo gretig uitleveren aan de machine als dit steriele kunstenaarsduo, wier artistieke visie nog niet veel verder reikt dan het ontwikkelen van een zogenaamde kietelrobot; hoewel we in ons dagelijkse leven meer en meer afhankelijk worden van machines, niet alleen op praktisch, maar vooral op geestelijk gebied, klampen de meeste mensen zich vast aan een idee van een menselijke wereld, met alle gebreken van dien; de techniek dient de mens, en niet andersom. De angst dat de machine ons ontmenselijkt is oud, maar ook springlevend.

Hoe echt zijn onze gevoelens nog in een onechte wereld? Dat is de benarde vraag die als een rode draad door A.I. (Artificial Intelligence) loopt, Steven Spielbergs verfilming van een werkstuk van wijlen Stanley Kubrick. Twee ouders adopteren in een onbenoemde toekomst een robot ter vervanging van hun eigen kind dat in een coma ligt. Wanneer de echte zoon terugkeert, wordt het robotkind verstoten en dreigt vernietiging. Maar de robot is niet zo maar een robot, hij is het nieuwste snufje: spreek de juiste code in en hij bezit menselijke emoties. De vrouw die hem in huis gehaald heeft beschouwt hij als zijn echte moeder. Het robotkind wordt alleen in het bos achtergelaten en komt terecht in een vijandige wereld. Mensen maken gebruik van robots, maar ze haten ze ook. De jongen gaat op zoek naar de aan Pinokkio ontleende blauwe fee; hij denkt dat zij echt bestaat en van hem een echt mens kan maken. Dat gebeurt pas een paar duizend jaar later, wanneer alle echte mensen door een cocktail aan catastrofes allang van de aardbodem zijn verdwenen. Via DNA-technieken wordt het jongetje voor één dag herenigd met zijn moeder, die eindelijk de verlossende woorden spreekt: ,,Ik heb altijd van je gehouden''. Het is volbracht, en tijdens die ene, laatste nacht aan de zijde van zijn moeder, voltrekt zich zijn ultieme menswording: hij droomt.

A.I. is een hopeloos in zichzelf verwarde film, maar juist dat maakt hem interessant. Het robotjongetje David wordt gespeeld door de begaafdste kindacteur van Hollywood, Haley Joel Osment, zodat zijn menselijkheid al bij voorbaat vaststaat. Daardoor wordt hij eerder een weeskind dan een robot, een Dickens-personage in een virtuele omgeving. Spielberg draait de zaak om: de ironie wil dat juist hij, de machine, de drager wordt van zuiver menselijke gevoelens in een wereld waarin de menselijke banden sterk gemechaniseerd zijn. De mensen zijn koud en onverschillig geworden, zij denken het authentieke gevoel op bestelling geleverd te krijgen. Het verweesde robotkind is het symbool bij uitstek van het mechanische, het onechte, dat naar een zuivere, directe emotie streeft. De beste scène in de film is die waarin de jongen zijn maker opzoekt in een door een vloedgolf verwoest New York en ontdekt dat er talloze replica's van hem bestaan. In een woedeaanval slaat hij ze stuk voor stuk kapot; hij wil uniek zijn, net als een mens. Hij is als het monster van Frankenstein, dat andere levende experiment dat (tevergeefs) mens wil worden en zich uit onmacht tegen zijn maker keert.

Daar ligt het brandpunt: mensen zijn helemaal niet uniek, zeggen de geestverwanten van het Hollandse kunstenaarsduo Driessens-Verstappen, til hun schedel op en je ziet een soort machine; een niet zo beste, maar toch. Zij willen de mens objectiveren door middel van technische metaforen. Spielberg wil juist de techniek subjectiveren door middel van menselijk pathos. De wereld verandert, maar de menselijke emoties niet - zegt Spielberg, hoopt Spielberg. Echt en onecht doen er niet toe: er is niets tegen machines, zolang ze maar net als mensen worden.

A.I. is een manmoedige poging om de mens te verzoenen met een wereld waarin het kunstmatige regeert. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan en het lukt ook niet: het jongetje is voor de kijker geen machine en de film eindigt in een sentimentele hereniging die ongeloofwaardig is. Maar de film zelf is een menselijke droom en de verborgen boodschap luidt: juist het mechanische kan het niet zonder de menselijke verbeelding stellen. Het onechte kan als authentiek ervaren worden. Die notie roept weliswaar meteen visioenen op van Japanse mechanische hondjes en wezenloze poezen in nepvachten, die kopjes geven en met hun staart kwispelen en zogenaamd dood gaan wanneer je ze niet op tijd te eten geeft; nog meer schijnervaringen zonder consequenties, even echt als het Venetië van Las Vegas. Maar stel je een genetisch gemanipuleerde poes voor, die talloze DNA-broertjes en zusjes op de wereld heeft rondlopen, het resultaat van jarenlang laboratoriumwerk. Zodra die spinnend tegen je benen leunt, loop je meteen naar de keuken om de brokjes te halen.

Reality: een groep burgers

die onder camerabegeleiding de wildernis wordt ingestuurd

Binnen honderd jaar gaan we met een robot naar bed;

en reken maar dat dat betere seks oplevert

`A.I.' draait in bioscopen in het hele land.

    • Bas Heijne