Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, was brandweermeester. Op ons huis naast de voordeur kwam een marmeren bord met gouden letters waar het op stond. Omdat hij aannemer was en wist hoe huizen en gebouwen in elkaar staken was hij gevraagd. Zijn vriend die op de dijk woonde en timmerman was werd ook lid van de vrijwillige brandweer. Als ze koffie dronken met elkaar, zaten ze te fantaseren wat ze moesten doen als er bij hevig onweer de donder insloeg in het rieten dak van een boerderij. Mijn vader dacht lang na en zei toen tegen zijn vriend: ,,Man, daar hoef jij je niet druk over te maken, ik zeg het tegen die tijd tegen je, als brandweermeester.''

Hij kreeg een brandweerpak, donkerblauw met goud, dat altijd aan de kapstok moest hangen om er snel bij te kunnen. Zijn indrukwekkende pet met een enorme klep lag bovenop. In de gang werd een grote bel gehangen. Als die bij een brandmelding afging, was het hele dorp wakker. Hij rinkelde vijf minuten achter elkaar. De honden gingen janken en de katten kropen weg. Een van de eerste keren dat hij moest komen opdraven was 's nachts. Toen de bel ging, zag je in het dorp overal lichten aangaan. Als je naar buiten keek, liepen de mensen in een draf met hun jas over hun nachtgoed naar de brand. ,,'t Is op een schip op de Maas'', hoorde je roepen. Wij gingen snel naar de slaapkamer van onze vader en moeder. Daar zat mijn vader met zijn pet al op, en zijn benen uit bed, zijn ogen dicht van de slaap, terwijl mijn moeder hem zijn brandweerbroek aan het aansjorren was.

    • Maria Heiden