Lonken in een Hollandse hoosbui

Een briljant boek kan een molensteen zijn om de nek van de auteur. De Nederlandse Antilliaan Frank Martinus Arion schreef in 1973 literatuurgeschiedenis met zijn romandebuut Dubbelspel. Het verhaal van een potje domino op leven en dood werd geprezen als een stilistisch meesterwerk en een tragikomisch portret van de Antilliaanse samenleving, en haalde in een Engelse vertaling terecht de prestigieuze Caribbean Series van uitgeverij Faber & Faber. Maar bij ieder volgend boek werd Arion geconfronteerd met de teleurstelling van lezers en critici, die meer van hem verwachtten dan hij ze in de eendimensionale romans Afscheid van de koningin (1976), Nobele wilden (1979) en De laatste vrijheid (1995) kon geven. Zijn lot doet denken aan dat van de Amerikaan Joseph Heller, die tot aan zijn dood in 1999 het verwijt kreeg dat hij nooit meer zo'n goed boek als zijn debuut Catch-22 geschreven had. ,,Wie wel?' placht hij te antwoorden.

Arions literaire krediet zal geen nieuwe toppen bereiken door de bundel short stories, schetsen en radioverhalen die anderhalve maand voor zijn 65ste verjaardag verschijnt. Niet zozeer omdat het meeste werk in De eeuwige hond oud is – ook veertig jaar oude literatuur heeft recht op publicatie – maar omdat de kwaliteit zo wisselt. Een kwart van de 160 bladzijden die het boek telt, wordt ingenomen door een weinig puntige dierenfabel (eind jaren zeventig nog bedoeld voor kinderen), een serie surrealistische en quasi-filosofische fragmenten met een dichter in de hoofdrol, en twee opgepompte anekdotes over een haringliefhebber die gruwt van visboerspeeksel en een kind dat `auto' zegt tegen alles wat een antenne heeft.

Ook het in 1961 geschreven verhaal `De nozem' – een Antilliaanse Hamlet vat het plan op om de eer van zijn vader te redden en de minnaar van zijn moeder te vermoorden – heeft een nogal flauwe (want voorspelbare en misplaatst kluchtige) clou. Een overigens aardig jaren-zeventig verhaal over de afstraffing van een rechtse macho wordt ontsierd door een deus ex machina, of liever een kroonluchter uit het plafond. Een kritische geest zou bovendien kunnen opmerken dat het titelverhaal, `De eeuwige hond', weliswaar veelbelovend oprijst, met een in ongenade gevallen man die als huurder bij een arme weduwe intrekt, maar na een tiental bladzijden inzakt tot een slap verhaaltje over een woeste hond met een trouw hartje.

Uiteindelijk blijven er vijf verhalen over waarin Arion laat zien wat hij als verhalenschrijver vermag. Zo biedt het openingsverhaal `Lichten' een mooie variatie op een vast thema van Arion, de tweeslachtige houding van de Antilliaan ten opzichte van Holland en Europa; het is een in de eerste persoon enkelvoud geschreven portret van een jongen die droomt van Pietje Bell en `het verbranden van kerstbomen op nieuwjaarsavond' en die tijdens een Curaçaose oudjaarsnacht uiteindelijk zijn zwarte tante voor een Noorse zeeman verraadt. In het magisch-realistische verhaal `Bijverschijnselen' toont Arion zich een Caraïbische leerling van `fantastici' als Belcampo en Edgar Allan Poe. En in `Éen ding is droevig' herinnert de ikpersoon zich hoe hij zich als emigré uit de Antillen verzoende met de sombere Hollandse herfst na een ontmoeting met een dichterlijke visser: `Ze maakte duidelijk dat schoonheid niet vergaat, maar terugkeert. Het is niet de wisseling van zijn en niet zijn waar het om gaat, maar de wisseling van zijn en anders zijn. Dat is wat je moet beseffen om je zo niet overal thuis, dan toch nergens geheel vreemdeling te voelen.'

De mooiste twee verhalen uit De eeuwige hond zijn het kortste en het langste. `Regen' beschrijft een Antilliaanse verovering in een Hollandse hoosbui met een paar smeulende en goed getroffen dialogen. `De elegante renners' vertelt over een oude, naar Curaçao teruggekeerde idealist die traint voor een marathon en de strijd aangaat met een aan lager wal geraakte karateka die zijn dagen als choller, drugsverslaafde, op het sportveld slijt. Het is een verhaal over (wederzijds groeiend) respect dat ontroert dankzij de innerlijke monologen van de twee hoofdrolspelers, die meer met elkaar gemeen hebben dan ze denken al was het alleen maar hun verlangen naar het `goddelijke moment' waarop je wordt `omgetoverd tot een mens van grootsheid en totale afwezigheid tegelijk'.

Uit de `Verantwoording' bij De eeuwige hond blijkt dat `Regen' geschreven werd in 1961. Van `De elegante renners' wordt het jaar van ontstaan in het midden gelaten; maar aangezien het in deze bundel voor het eerst gepubliceerd wordt, schat ik het niet zo oud. Laten we dat opvatten als een teken van hoop. Ook al doet zijn eerste verhalenbundel wat bijeengeraapt aan, Frank Martinus Arion hoeft nog niet te teren op oude roem.

Frank Martinus Arion: De eeuwige hond. Verhalen. De Bezige Bij, 168 blz. ƒ29,90

Frank Martinus Arion treedt vanavond om 20.00 uur op tijdens het Surinaams-Antilliaans schrijversfestival in De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam. Tel. 020-55 35 100.

    • Pieter Steinz