Kiezen tussen meer of harder vechten

Hebben de Verenigde Staten de eerste ronde van de oorlog in Afghanistan al verloren? Critici vinden dat Bush harder moet optreden.

Het gaat niet goed met Amerika's oorlog. Na drie weken bombarderen heeft de regering in Washington weinig successen kunnen melden, herhaaldelijk missers moeten toegeven en een groeiende kritiek geïncasseerd, ook van medestanders.

President Bush heeft daarop besloten meer goed nieuws te gaan produceren, bij gebrek aan goed nieuws. Alastair Campbell, de ervaren nieuwsdokter van Tony Blair, is hier een cursus Kosovo komen geven en het Witte Huis gaat nu de ontbijtshows van achtereenvolgens Pakistan, Europa en het `thuisland' bestoken met fijne resultaten, of ontkenningen van minder fijne feiten.

Hoe kon het zo snel mis gaan, of althans nauwelijks goed gaan? Die vraag stond centraal op een denkochtend die The Carnegie Endowment for International Peace deze week organiseerde in Washington. Degene die het tot nu toe gevoerde beleid eigenlijk het meeste verdedigde was James Steinberg, plaatsvervangend Nationale Veiligheidsadviseur onder president Clinton en nu vice-president van de Brookings Institution.

De regering-Bush kreeg het hard te verduren van twee conservatieven: Richard Perle, onderminister van Defensie voor internationale veiligheid onder president Reagan. Bob Kagan is verbonden aan de Carnegie Endowment en is medewerker aan twee tegenpolige weekbladen, The Weekly Standard en The New Republic.

Kagan ging het verste. Volgens hem heeft Amerika ,,de eerste ronde van de oorlog verloren omdat we deze oorlog diplomatiek, militair en politiek op een goedkoopje trachten te voeren''. Hij is niet de enige opinievormer die een pijnlijke vergelijking trekt met de Vietnam-oorlog. De oorlog van vandaag is volgens Kagan gebouwd rond de poging het conflict te beperken tot Afghanistan zonder verantwoordelijkheid te dragen voor hoe het in dat land verder gaat. Aan de hele benadering liggen zijns inziens twee misvattingen ten grondslag: onderschatting van de tegenstander en ,,de veronderstelling dat we de tijd hebben''.

Perle stelde dat de veelbezongen coalitie bestaat uit ,,de Verenigde Naties minus Irak'', en dus ,,zonder enige betekenis'' is. Hoewel hij adviseur van het Pentagon is, had Perle er geen moeite mee te zeggen dat de regering harder moet optreden tegen Saoedi-Arabië en Egypte, waar op staatskosten in scholen en moskeeën het fundamentalisme wordt gepredikt dat de aanslagen in de VS heeft opgeleverd.

Dit soort critici, waartoe ook Vietnam-veteraan senator John McCain behoort, oefenen zware druk op president Bush uit om veel harder en grootschaliger op te treden. McCain meent dat ,,het uitvechten van deze oorlog met halve maatregelen de vijand de gelegenheid geeft opnieuw toe te slaan''. Hij zegt in een keihard opiniestuk in The Wall Street Journal: ,,Wij hebben deze oorlog niet veroorzaakt. Dat deden onze tegenstanders. [..] Wij kunnen de schade helpen herstellen door hen te vernietigen. Oorlog is een verschrikkelijk karwei. Laten we het afmaken.''

Kagan zegt openlijk: als Bin Laden kans ziet binnenkort opnieuw en mogelijk harder, met een kernwapen, toe te slaan, dan moet Amerika onmiddellijk in een hogere versnelling terugslaan. Verlies in de eerste ronde moet dan worden ingehaald door ontegenzeggelijke winst in de beslissende ronde. De oorlog zal dan niet beperkt blijven tot Afghanistan.

Kagan: ,,De regering heeft tot dusver de conclusie willen vermijden dat Irak bij dit alles betrokken is, maar de dag zal komen dat ook dat duidelijk is.'' Hij houdt het voor mogelijk dat het regime in Saoedie-Arabië het niet redt en dat de VS binnen afzienbare tijd te maken krijgen met islamitische revoluties en oorlog op een veel groter schaal.

Opvallend genoeg hebben meer gematigde beschouwers een weinig markant tegenverhaal. Verschillende leden van Bill Clintons buitenlandse zaken- en defensieteam proberen dezer dagen de indruk te bestrijden dat de Democraten acht jaar laks zijn geweest ten opzichte van het toenemend terrorisme-gevaar. Maar het nauwelijks weersproken gerucht dat Soedan heeft aangeboden Bin Laden uit te leveren, maar stuitte op een weigering omdat de Verenigde Staten een rechtszaak tegen hem niet konden winnen, doet het diplomatieke aanzien van de Clinton-regering geen goed.

Het alternatieve Amerika stelt eeuwige en onweerlegbare vragen over het recht om onschuldige burgers in Afghanistan bloot te stellen. Hun kritiek is vooral online te lezen op websites als alternet.org en commondreams.org, twee sprekende namen, die niet noodzakelijkerwijs een compleet antwoord geven op de vraag hoe dan wel te reageren op de aanslagen van 11 september en het mogelijk gelieerde antrax-vervolg.

De Democraten in het Congres schuilen bij voortduring achter de nationale vlag. Zij hebben nog geen eigen stem of redenering ontwikkeld die de regeringsbenadering tegen het licht houdt. Zij zijn het grotendeels eens met de gevolgde aanpak, ook al werkt die nog niet.

De regering-Bush, en vooral het State Department onder Colin Powell, staat onder stevige druk van de Republikeinse veiligheidspolitieke lobby. Terwijl in Pakistan en Europa de aanvankelijke steun voor een stevige militaire reactie tegen Al-Qaeda en de Talibaan langzaam wegebt, blijven het Witte Huis en het Pentagon zeggen: het duurt zolang als het duurt.

Het enige nieuws is dat meer grondtroepen worden ingezet, maar dan gaat het om honderd of tweehonderd man, niet om een strijdmacht die steden inneemt. En de oorlog gaat door tijdens de islamtische vastenmaand. Dat vereist nog meer uitleg van het genre: een oorlog tijdens kerstmis is ook geen oorlog tegen het christendom, een oorlog tijdens Hanukka niet tegen het judaïsme.

Ogenschijnlijk zet Bush de verstandige en rechtvaardige oorlog voort die hij kort na de 11 september-aanvallen beloofde. Maar hij kan niet veel langer de keuze uitstellen tussen harder of meer oorlog voeren. Minder is geen optie, het zelfde geen oplossing.