Fluwelen stoomwals

Peter Oosthoek kan de bijnaam `de fluwelen stoomwals' met ere dragen. Zelden heeft een regisseur en toneelleider met zo weinig stemverheffing zo veel tot stand gebracht als hij. In de tijd dat vrijwel alle Nederlandse toneel van buitenlandse makelij was, en Nederlandse schrijvers niet leken te talen naar het toneel, maakte hij van Toneelgroep Centrum een gezelschap voor nieuwe Nederlandse stukken. Hij was zelfs bereid zijn eigen artistieke ambities in dienst van dat hogere doel te stellen. Met andere woorden: hij deed soms zijn uiterste best van een zwakke tekst toch een acceptabele voorstelling te maken, als hij dacht dat de schrijver op den duur beter werk zou kunnen afleveren.

Zo genuanceerd is het beeld dat Xandra Knebel schetst in haar boekje Peter Oosthoek, theatermaker – het vijfde in de prijzenswaardige monografieënreeks van het Theater Instituut Nederland, waarin eerder de carrières van Elisabeth Andersen, Annemarie Prins, Shireen Strooker en Henny Orri werden beschreven. Elk boekje is een helder feitenrelaas zonder opsmuk. Dit deeltje begint dan ook gewoon met de zin: `Peter Oosthoek werd op 3 september 1934 geboren in Utrecht, als tweede van drie jongens.' En de jeugdjaren van de hoofdpersoon komen alleen even ter sprake voorzover ze relevant kunnen zijn voor zijn latere toneelwerk. De schrijfster wijst er bijvoorbeeld op, dat Oosthoek door de echtscheiding van zijn ouders al op zijn dertiende de man in huis werd: `Al vroeg in zijn leven ontwikkelde hij zo de neiging het voortouw te nemen. Het grote verantwoordelijkheidsgevoel dat daarbij hoort heeft hem sindsdien niet meer verlaten.'

De rest van het verhaal maakt deze conclusie inderdaad aannemelijk. Al op de toneelschool was Oosthoek immers degene die met zijn medeleerlingen scènes instudeerde als de docent verlaat was wegens bezigheden elders – in feite zijn eerste regie-opdrachten, zegt Knebel. En tijdens zijn eerste engagement als acteur bij de Nederlandse Comedie vormde hij meteen een bindende factor. Net zoals later, toen hij Centrum leidde.

Peter Oosthoek speelde zijn cruciale rol in een periode van grote omwentelingen. Hij maakte nog net de laatste stuiptrekkingen mee van het oude, hiërarchische toneelbestel waarin alles om de sterren heen werd geënsceneerd, en groeide als vanzelfsprekend mee met de ontwikkeling van een moderner soort toneel. Als acteur en regisseur was (en is) hij de man van de veelbetekenende stilering. `Oosthoek is gefascineerd door het feit dat ieder mens een ,,sociaal masker' opzet om zich een weg door het bestaan te banen', schrijft Knebel. `Zodra dat masker, op welke manier en om welke reden dan ook, van het gezicht verdwijnt, blijft de mens in al zijn naakte lelijkheid over.' Zelf zei hij het iets minder verheven: `Ik vind het interessant om op zoek te gaan naar de emoties àchter dat masker.'

Omdat het boekje over de theatermaker gaat, blijven Oosthoeks andere activiteiten onderbelicht. Aan zijn filmregie An Bloem worden slechts twee kleurloze zinnetjes gewijd en het feit dat hij veel mooie, genuanceerde rollen speelde in films en tv-series (zoals de vriend des huizes in Oud geld) blijft vrijwel onvermeld. Maar het is goed dat het Theater Instituut zulke boekjes maakt; de geschiedschrijving van het naoorlogse Nederlandse toneel is er zeer bij gebaat.

Xandra Knebel: Peter Oosthoek, theatermaker. Theater Instituut Nederland, 148 blz. ƒ19,75