Een zandkorreltje van een andere waarheid

Maria Sibylla Merian reisde aan het begin van de achttiende eeuw naar Suriname en tekende daar insecten, vlinders en bloemen. Waarom ze dat deed is niet bekend. Juist dat inspireerde Inez van Dullemen tot een roman.

Bijna 76 is ze en op haar naam staan ruim twintig boeken romans, reisverhalen en toneelstukken. In 1989 kreeg ze de Anna Bijnsprijs voor haar oeuvre, waarvan het verfilmde Vroeger is dood, over de fysieke en mentale aftakeling van haar ouders, het bekendst is. Haar drie recentste boeken zijn vies romancées, gefictionaliseerde levensbeschrijvingen van historische personen. Een omstreden genre dat door de energieke, gedreven schrijfster hartstochtelijk wordt verdedigd.

In het fraai verbouwde huis van Inez van Dullemen in de Haagse Vogelbuurt, ligt een facsimile-uitgave op tafel van Maria Sibylla Merians standaardwerk Verandering der Surinaamse Insecten. Deze monumentale uitgave met de wereldberoemde prenten van bloemen, insekten, rupsen en vlinders uit het Surinaamse regenwoud is een cadeau van haar man, toneelregisseur Erik Vos. Voor een kleine duizend gulden tikte hij het boek antiquarisch op de kop, zodat Inez het tijdens het werk aan haar onlangs verschenen roman, Maria Sibylla, een ongebruikelijke passie, voortdurend kon raadplegen.

In haar tijd was de uit Duitsland afkomstige schilderes en entomologe Maria Sibylla Merian (1647-1717) een internationale beroemdheid, maar tegenwoordig kent vrijwel niemand haar meer. Bertus Aafjes wijdde ooit een gedicht aan haar en natuurliefhebber Jan Wolkers heeft zich wel eens laten ontvallen dat hij door haar beïnvloed is, maar dat is het wel zo'n beetje. Hoe komt iemand op het idee om over deze relatief onbekende vrouw een roman te schrijven?

Inez van Dullemen lacht innemend, schudt haar blonde krullen en steekt van wal.

,,Ik kende het gedicht van Bertus Aafjes waarin ze naar voren komt als een soort begijn, helemaal in God en alleen maar nederig bloemen en beestjes schilderend. Als het bij dat beeld was gebleven, had ik nooit over haar willen schrijven. Maar drie jaar geleden zag ik een tentoonstelling van haar werk in Teylers Museum. Daar hingen prachtige dingen die ze in Suriname had gemaakt, afkomstig uit de collectie van St. Petersburg die indertijd door de tsaar is aangekocht.

,,Pas op die tentoonstelling ontdekte ik dat Sibylla op haar 52ste naar Suriname is afgereisd. Er was een glazen kistje te zien met een schitterende vlinder erin, metalig blauw, al een beetje verstoft en aangevreten. Toen ik die schoonheid zag, dacht ik: hier is ze achteraan gegaan. Voor deze vergankelijke schoonheid en het geheim van het ontstaan ervan heeft ze die ongelooflijke weg afgelegd. En dan bedoel ik niet alleen haar reis naar Suriname, maar haar hele leven, dat een voortdurende zoektocht was naar een werkelijkheid achter de werkelijkheid. Ze was op zoek naar de betekenis van de metamorfose, vandaar haar belangstelling voor vlinders. Dankzij nieuwe uitvindingen, zoals de microscoop en de verrekijker, ontdekte ze dat de werkelijkheid anders was dan ze altijd had gedacht. Toen ze een kind was, werd aangenomen dat vlinders uit moddertroep en drab te voorschijn kwamen. Men wist niets van verpoppen, insecten waren des duivels en de brave meikever werd in de ban gedaan. Uit die nog half middeleeuwse wereld kwam Sibylla. Ze had het geluk op te groeien in een milieu van drukkers en schilders waar veel werd nagedacht. Zo werd ze opgetild naar een ander niveau. Het was alsof er een gat ontstond in het middeleeuwse decor waar doorheen ze een andere wereld te zien kreeg. Zo stel ik me dat in elk geval voor.'

Die zoektocht van haar, herkent u zich daarin?

,,Ja beslist. Je moet in iemand over wie je wilt schrijven iets vinden wat verwant is. Ik herkende in die vrouw de gedrevenheid om ergens achteraan te gaan. Ik heb ook veel gereisd om iets verhelderends, iets openbarends te vinden, een klein stukje, al is het maar een zandkorreltje groot, van een andere waarheid.'

Waarom heeft u over zo'n interessante vrouw als Maria Sibylla Merian een vie romancée geschreven in plaats van een serieuze biografie?

,,Omdat ik geen biografie kàn schrijven. Voor een biografie moet je analytisch te werk gaan, heel precies zijn, veel research doen, veel geduld hebben, terwijl ik toch in de allereerste plaats romancière ben. Ik vind het leuk om te spelen met gegevens uit een leven, beelden op te roepen. Als er goede biografieën over haar geweest waren, was ik er niet aan begonnen. Maar behalve haar werk is er vrijwel niets van haar bewaard gebleven. Ze heeft niets geschreven over haar huwelijk en haar dochters, niets over haar vlucht in 1685 naar Wieuwerd in Friesland waar ze zich voor vijf jaar aansloot bij de godsdienstige sekte van de Labadisten. Alle feiten over haar leven zijn bekend, maar over haar drijfveren, haar emoties en doelstellingen is niets te vinden. Ik vind het interessant om leven te blazen in een soort skelet, om van zo'n skelet weer een vrouw van vlees en bloed te maken.'

Maar juist omdat die vrouw voor je gaat leven, wil je als lezer weten wat er aan uw portret van haar historisch is en wat niet.

,,Dat kan ik me voorstellen. Misschien had ik expliciet moeten vermelden wat wel en wat niet historisch is. Alles wat zich in Suriname afspeelt in mijn boek, de brieven van Sibylla's dochter, haar vriendschap met de slavin Kwasiba, is fictie. Vrij zeker is alleen dat ze een aantal slaven heeft gekocht of geleend om in de jungle op vlinderjacht te gaan. Zonder slaven kon dat niet.

,,Behalve haar bezoek aan de Labadisten-plantage Providentia, waarover ik iets in een boek heb gevonden, is haar verblijf in Suriname in nevelen gehuld. Naar Providentia ben ik in 1999 samen met mijn man op zoek gegaan. Fantastisch was dat, een vorm van spoorzoeken, net zoals ik vroeger deed met mijn reisverhalen. We zijn in een uitgeholde boomstam de rivier over gegaan, tussen de alligators en omringd door oerwoudgeluiden. Providentia lag aan de Surinamerivier, maar niemand wist precies waar, ook al omdat er niets van over is. Gelukkig hadden we een goede gids, die er lol in had. Dankzij hem hebben we een plek gevonden die bewoond moet zijn geweest. Dat viel op te maken uit restanten bakstenen en potscherven en bovendien uit de begroeiing. Als men een plantage aanlegde werd er een laan gemaakt van mahoniebomen of andere beplanting die daar niet thuishoort. Het is niet honderd procent zeker dat Providentia daar gelegen heeft, maar ik nam het graag aan. Ik kreeg echt het gevoel: hier heeft Sibylla gestaan. Onderweg sliepen we bij bosnegers waardoor ik me kon voorstellen wat Sybilla heeft ervaren toen zij met haar negergidsen het oerwoud in trok. We sliepen op de grond, maar ook een keer in een hut op palen van waaruit je over de Surinamerivier keek. Dat opgaan van die zon, onbeschrijflijk! Om zo'n boek te maken heb ik het zien en ruiken nodig.'

Het boek over Maria Sibylla Merian is niet uw eerste vie romancée. U schreef er één over Gertrude Blom (Het land van rood en zwart,1993) en over de Haagse naaldkunstenaar Willem Schenk (De rozendief,1998). Schenk leefde nog toen u dat boek schreef, u kon hem nog van alles vragen. Waarom dan toch een vie romancée?

,,Omdat ik me dan beter kan inleven in wat zo iemand allemaal heeft meegemaakt. Mijn inlevingsvermogen is de kern van mijn talent.'

In De rozendief voert u Schenk op onder zijn eigen naam. In hoeverre mag je een bestaand persoon helemaal herscheppen en naar je eigen hand zetten?

,,Hij had gezegd: je mag alles met me doen. Hij kende mijn werk en we waren al lang bevriend, dat maakte het makkelijker. Het boek werd een fantasie van ons beiden, maar wel gebaseerd op een aantal waar gebeurde feiten: hoe zijn jeugd verliep, de dood van zijn moeder, zijn huwelijk, zijn coming out als homo. Wat ik in De rozendief er zelf in heb gelegd, zijn mijn fantasieën over ouderdom, over hoe iemand verandert als hij oud wordt.'

Is dat een zelfde soort interesse als Maria Sibylla had, fascinatie voor de metamorfose, in dit geval voor iemand die na z'n coming out een persoonlijkheidsverandering ondergaat en later opnieuw verandert door de ouderdom en de naderende dood?

,,Dat maakte hem uiterst interessant. Ik ben dol op dramatiek, op dramatische wendingen. Met alle drie de personen over wie we het hebben, de fotografe van het Mexicaanse regenwoud Gertrude Blom, naaldkunstenaar Willem Schenk en schilderes Maria Sibylla, voel ik me verwant. Ze hadden een ongrijpbare passie. Mijn passie is schrijven, schrijven om mijn leven te verruimen, om het groter te maken, om meer levens te kunnen leiden.'

U lijkt dus een beetje op een acteur. Niet toevallig al bijna vijftig jaar getrouwd met een toneelregisseur.

,,We hebben elkaar altijd enorm gestimuleerd. Door Erik kreeg ik te maken met Shakespeare en met de grote Grieken. Dikwijls bewerkten we samen ook stukken. Ik las alles mee wat hij regisseerde. We hebben veel aan elkaar ontleend, juist omdat we allebei iets anders deden. Hij heeft altijd achter alles gestaan wat ik deed en dat komt niet zo vaak voor.'

U had al gedebuteerd voor u Erik Vos leerde kennen. Wie heeft U gestimuleerd om schrijfster te worden?

,,Mijn moeder was schrijfster, Jo de Wit, ex-minnares van Nijhoff. Nu is ze totaal vergeten. We debuteerden allebei op ons 23ste. Zij had een voor haar tijd heel uitdagend boek geschreven, Donker geluk, over verhoudingen met andere mannen. Ze heeft me wel en niet gestimuleerd. Ze sprak nooit over haar schrijverschap en tijdens haar huwelijk heeft ze niets meer geschreven. Maar ze bracht wel een literaire sfeer mee, gedichten, boeken en gevoel voor schoonheid. Zeker voor die jaren was ze een excentrieke, exuberante vrouw. Ze schiep een klimaat waarin ik me lekker voelde. Er kwamen ook veel schrijvers over de vloer.

,,Na mijn middelbare school ben ik naar Engeland gegaan waar ik op voorspraak van mijn moeder gezelschapsdame werd van een ex-minnares van D.H. Lawrence. Daar, in Essex, heb ik mijn eerste boek, Ontmoeting met de andere, geschreven.

,,Misschien had mijn behoefte om te schrijven ook met de oorlog te maken. Bij de Duitse inval was ik veertien. De hele wereld die ik in mijn kinderjaren had opgebouwd viel stuk. We woonden in Amsterdam en er gebeurden de verschrikkelijkste dingen. Vriendinnetjes die verdwenen, mijn vader die bijna werd gefusilleerd, de hongerwinter. Maar toch, die spanning had wel iets. Na de bevrijding werd het allemaal nogal duf en saai. In de oorlog leefde je op pieken van existentiële spanning, zoals je leeft wanneer je schrijft, wanneer je iets schept.

,,Dat leven op het scherp van de snede heb ik vaker ervaren in mijn leven. In de jaren vijftig ben ik doodziek geweest. We waren net getrouwd en tijdens een vakantie in Griekenland kreeg ik een inwendige bloeding als gevolg van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Ik heb letterlijk moeten vechten voor mijn leven.'

Heeft u die ervaring verwerkt toen u in in uw boek over Maria Sibylla het gevecht tegen de dood beschreef van de zwangere Afrikaanse Kwasiba aan boord van het slavenschip dat haar naar Suriname bracht?

,,Als ik zelf niet zoiets had meegemaakt, had ik dat niet kunnen beschrijven. Het samenballen van die levensvonk, geen energie verspillen, maar vasthouden, vasthouden, dat heb ik toen heel bewust gevoeld. Uiteindelijk ben ik met gillende sirenes naar een ziekenhuis in Athene gebracht waar ze me midden in de nacht hebben geopereerd. Men vond het onbegrijpelijk dat ik nog leefde, maar het was uitgesloten dat ik nog kinderen kon krijgen. Daarom hebben we twee Griekse kinderen geadopteerd. Eerst een jongetje, toen een meisje. Hele lieve, interessante kinderen met wie we nog steeds een sterke band hebben. Mijn dochter woont hier in de buurt met twee kleinkindertjes.'

Heeft het opvoeden van die kinderen uw schrijverschap niet in de weg gestaan?

,,Het maakte 't moeilijker, maar voor mij is heel belangrijk geweest dat we in de tweede helft van de jaren zestig voor Eriks werk in Amerika hebben gewoond, eerst in Stanford bij San Francisco en later in Pittsburg. Het was een tijd dat alles opengebroken werd, waarin er van alles aan de gang was.'

Ontstond er, net als in Sibylla's tijd, een gat waardoor u naar een andere wereld kon kijken?

,,Absoluut. Hier in Nederland was ik met twee kleine kinderen toch een beetje als een kip op het nest. Ik voelde wel dat dat niet alles was, maar ja, hoe moet je uitbreken? Dat was niet zo makkelijk.

,,Wat veel invloed op mijn werk heeft gehad is dat ik vanuit de States reportages voor de Volkskrant kon schrijven. Eens in de maand een hele pagina. Tot die tijd was ik nooit erg geïnteresseerd geweest in politiek, ik las eigenlijk nauwelijks kranten. Soms denk ik wel eens: was ik niet een soort slaapwandelaar. In Amerika werd ik wakker. Dat had natuurlijk ook met de tijd te maken: flower power, de oorlog in Vietnam en de protesten daartegen. Alles maakten we mee, we zaten in een brandhaard tussen al die studenten.'

Hoe verhoudt u zich nu tot de politiek, bijvoorbeeld in het licht van wat er op 11 september is gebeurd?

,,Enorm betrokken. In de eerste plaats omdat we Amerika goed kennen. Ik vind het een vreselijk drama en ontzettend voor die mensen, maar ik begrijp wat er achter zit bij de terroristen: de botte overheersing van de Amerikanen in de hele Arabische wereld. Niet dat ik de aanslagen goedkeur, maar als Bin Laden zegt dat er een Palestijnse staat moet komen en dat de Amerikanen weg moeten uit Saoedi-Arabië, dan vind ik dat redelijke eisen.'

Inez van Dullemen: Maria Sibylla, een ongebruikelijke passie. Uitg. De Bezige Bij, 261 blz. Prijs f44,07