Een tussenmens kan niet ontsnappen

De journalist Zuiderveld in Bas van Puttens tweede roman is een amateur-pianist en muziekliefhebber die thuis met wilde gebaren symfonieën dirigeert. Bovendien lijdt hij aan een huidkwaal waardoor hij niet in een T-shirt de straat op kan en is hij de hoofdpersoon van een roman die De hemelpoort heet. Stuk voor stuk zijn het verwijzingen naar Simon Vestdijk, de schrijver aan wie Van Putten zich graag spiegelt. Niet voor niets heette zijn debuut Doorn, een roman die doorspekt is van eerbetoon aan de duivelskunstenaar uit het gelijknamige dorp op de Utrechtse heuvelrug.

De introductie van Zuiderveld in De hemelpoort valt gemakkelijk te associëren met Vestdijks roman Het glinsterend pantser met als hoofdpersoon de aan psoriasas lijdende dirigent Victor Slingeland. Ook de titel zelf, De hemelpoort, is – met het oog op Meneer Visser's Hellevaart – Vestdijkiaans te noemen.

Zuiderveld lijkt in veel opzichten op Doorn uit Van Puttens debuutroman: beiden zijn journalist, een beroep waar ze op neerkijken, ze zijn teleurgesteld in hun eigen muzikale en andere prestaties, maar niettemin ten diepste vervuld van hun grootse talenten en mogelijkheden. Ook hebben ze allebei een huwelijk dat niets voorstelt en een zoontje aan wie ze zich zo min mogelijk gelegen laten liggen.

De hemelpoort lijkt een sleutelroman. Minimaal twee media waarvoor Bas van Putten zelf heeft gewerkt, Het Parool en Vrij Nederland, zijn naar het leven getekend onder de namen Het Stadsblad en De Vrije Tribune. Deels speelt De hemelpoort zich af in het recente verleden: `de tijd van de grote plagen', zoals oorlog op de Balkan, een neerstortend vliegtuig, de ontploffing van een vuurwerkfabriek en oproer in een Fries dorp waar asielzoekers ten onrechte van moord worden beticht. Het is ook in deze periode dat de hoofdredacteur van De Vrije, Anton Reger, zijn redactie op een vergadering meedeelt dat hij binnen afzienbare tijd zal sterven aan kanker – een wel heel nadrukkelijke verwijzing naar de overleden hoofdredacteur van Vrij Nederland Joop van Tijn. Al eerder in het verhaal, als Regers naam verbonden wordt aan Van Tijns vroegere radioprogramma Welingelichte kringen, is zonneklaar wie voor het personage Reger model heeft gestaan

Alter ego's

Sleutelromans kunnen, ook voor wie de sleutel niet (helemaal) kent, interessante en hoogwaardige literatuur opleveren. Het is een genre waar – mits vakkundig bedreven – niets op tegen is. Maar bij De hemelpoort werkt de herkenbaarheid van personen en situaties uiteindelijk in het nadeel van de roman. Door de romanfiguren naast hun alter ego's uit de werkelijkheid te leggen blijkt des te pijnlijker dat het vermogen karakters uit te diepen en personages tot leven te wekken niet de sterkste kant is van Van Puttens schrijverschap. Een man als Reger blijft een non-descripte bordkartonnen figuur. Ook de waanzinnige situaties op de redactie van De Vrije worden niet overtuigend opgeroepen. Misschien is de oorzaak hiervan dat Van Putten allerlei huiveringwekkende toestanden – complotten, karaktermoorden, anonieme brieven – alleen in de vorm van legenden heeft vernomen. Zelf heeft hij die zwarte periode, door ettelijke voormalige Vrij Nederland-redacteuren als een hel ervaren, niet meegemaakt. Nu is dat natuurlijk niet nodig voor een adequate beschrijving, maar in een sleutelroman is het mooi meegenomen als de werkelijkheid enigszins wordt benaderd.

Gelukkig zijn de naar bestaande situaties en personen verwijzende elementen niet de hoofdzaak in De hemelpoort. Ze vormen slechts het decor waartegen zich het verwrongen maar intrigerende gedachteleven van Zuiderveld afspeelt. Hij is op de redactie van De Vrije terechtgekomen omdat hij per ongeluk omhoog is gevallen als interviewer van beroemdheden. In hun kielzog is hijzelf ten onrechte ook een beetje beroemd geworden, maar hij blijft een journalist van niks, al was het maar omdat hij het beroep minacht. `Zuiderveld haatte journalisten. Hij verafschuwde hun beroepsargwaan, hun beroepsverontwaardiging en hun beroepsgenegenheid voor de verdrukten.' In wezen haat hij – en daarin stemt hij overeens met Van Puttens andere protagonist Doorn – de verdrukten zelf. Evenals Doorn gedraagt Zuiderveld zich als een parvenu, hij vervloekt `het werkvolk', omdat dat `zijn achterland' is. `Men zag het hem aan, de vloek van zijn milieu en het gedoe met de ontworsteling.' Sociaal gezien loopt hij voortdurend op zijn tenen.

Complottensmeder

Het boek begint omineus als Zuiderveld, gestoken in opvallende, kostbare kleren, voor het Amsterdamse Centraal Station wordt bedreigd door een zwerver, die hij ziet als `een zuil van vuil en schande'. Aan het einde van de roman keert dit moment in een ietwat andere vorm terug. Samen met Blok – de enige redacteur met wie Zuiderveld op De Vrije contact heeft – overvalt hij bij datzelfde Amsterdamse CS een tot het vijandige kamp behorende collega. Blok, minstens zo'n despoot en complottensmeder als Vestdijks Meneer Visser, moet vluchten en verandert in `een zuil van vuil en schande'. Voor hem naakt echter verlossing uit de hel als hij in Frankrijk voor de Pont de Normandië staat en als in een visioen weet: `Dit is de snelweg naar de hemel (...) Zo ziet de hemelpoort eruit.'

Voor Zuiderveld is zo'n ontsnapping onmogelijk. Hij blijft vastzitten bij het aan intriges tenondergaande weekblad, vastzitten ook in zijn eigen onvruchtbare gedachten en complexen. Eén daarvan is dat hij, zoals Blok ooit treffend formuleerde, een `tussenmens' is: een buffer tussen meesters en slaven, geen denker en geen doener, maar iemand die is verdwaald tussen de polen. Een tussenmens, zo weet Zuiderveld, heeft tussenbanen, hij wordt `journalist, auteur van onbeduidend werk of onderwijzer', hij is kortom de verpersoonlijking van Vestdijks `minderwaardige persoonlijkheid'.

Veel handeling is er niet te vinden in De hemelpoort, een verhaallijn of een plot zijn nauwelijks aan te wijzen. Alles draait om de dolgedraaide, voortmalende gedachten van de tegelijk door gevoelens van inferioriteit en megalomanie gekwelde hoofdpersoon en in het weergeven van misvormd innerlijk leven heeft Van Putten zich met Doorn al een meester getoond. In dit tweede boek probeert hij vermoedelijk de gedachtestroom van zijn hoofdpersoon nog beter onder woorden te brengen door hiervoor een zelfontworpen grammatica en interpunctie (of het ontbreken daarvan) te gebruiken. Helaas levert dat herhaaldelijk lelijke zinnen en constructies op zoals: `Besef dat zonder vragen schenkt, zoals passanten bedelaars een gulden' of `Wat hij een lef had dat hij durfde', `open kaart schrijven', en `Toch was hij teruggekomen, dat iedereen getuige was van zijn gezezing en wilskracht.'

Misschien meent Van Putten, na lezing van James Joyce, dat mensen ongrammaticaal denken en dat je dus bij het uitdrukking geven aan gedachten de grammatica moet loslaten. In Meneer Visser's Hellevaart beproefde ook Vestdijk deze methode, met minder resultaat dan Joyce, waar Vestdijk expliciet naar verwijst. In De hemelpoort is het enige gevolg van deze vormgeving van de innerlijke monologen dat het boek niet zo prettig leest als het elegante en muzikale proza van Doorn.

Bas van Putten: De hemelpoort. Contact, 208 blz. ƒ39,65

    • Elsbeth Etty