De wraak van Aantjes

Morgen houdt het CDA haar partijraad, onder aanvoering van de nieuwe lijsttrekker, Jan Peter Balkenende. Na de troebelen rondom Jaap de Hoop Scheffer moet hij de partij nieuwe, of oude, inhoud geven. Maar wat is zijn gedachtegoed? Hij pleit voor een radicale breuk met waardenrelativisme en individualisme.

Het was de verrassing die het CDA er vorige maand na alle verrassingen nog wel bij kon hebben: de benoeming van Jan Peter Balkenende. Niet alleen tot voorzitter van de Tweede Kamerfractie als opvolger van de `onthoofde' Jaap de Hoop Scheffer, maar ook direct tot kandidaat-lijsttrekker voor de partij bij de komende verkiezingen. Zo maar uit het niets was hij daar.

`Professor meester doctor' Balkenende, benadrukten de meeste media, waarmee de toon was gezet en het eerste beeld gevestigd. Geheel conform het clichématige Haagse patroon werd Balkenende de maat genomen. Niet iemand die van het voor het politieke voortbestaan tegenwoordig zo onmisbare beeldscherm afspettert, oordeelde de echoput aan het Binnenhof. De bril was te professoraal, het haar te jongensachtig, de kleding te powerless. Met zijn onervarenheid zou hij het nog moeilijk krijgen tussen de giganten. Enkele van de waarnemers hadden het dan ook al snel gezien: dit was een tussenpaus.

Inmiddels zit Balkenende in de fase van het tweede oordeel. Uitglijers heeft hij nog niet gemaakt. In zijn openbare optredens wist hij meer dan eens ad rem uit de hoek te komen. En misschien nog wel het belangrijkste: tegen de verwachtingen in zijn de CDA-kiezers na alle crisisperikelen van vorige maand niet massaal weggelopen. Balkenende is vooralsnog een redelijk stabiliserende factor gebleken. Zodoende gaan de voorspellingen nu al weer een andere kant op. Zou Balkenende met al zijn authenticiteit misschien dan eindelijk het gezicht zijn waar het CDA nu al zo lang naar op zoek is?

Daarbij speelt de klassieke vraag of het CDA wel een gezicht kàn hebben. Of beter gezegd: één gezicht. Ook na zeven jaar gedwongen oppositie verenigt de partij twee zielen in één borst. Er zijn degenen die het CDA beschouwen als uitgesproken bestuurderspartij die haar handelen geheel moet richten op het verkrijgen van de macht en het in bezit houden daarvan. Exponent daarvan was Ruud Lubbers, die dan ook danig in het ongerede raakte toen hij in 1994 in de laatste maanden van zijn leiderschap het CDA-imperium voor zijn ogen zag ineenstorten. En er is de veel kleinere stroming die het CDA allereerst beschouwt als een christen-democratische partij met het evangelie als niet te negeren boodschap. Iemand als oud-minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin kon tot die categorie worden gerekend, maar dè vertolker van dat geluid was indertijd Wim Aantjes.

De spanning die deze twee verschillende invalshoeken met zich meebrengen heeft het CDA al bij de oprichting flink parten gespeeld, omdat de tweespalt ook in politieke termen kon worden vertaald. Centrumpartij of progressieve partij, was het centrale discussiepunt in de jaren zeventig tijdens de moeizame fusiebesprekingen tussen Katholieke Volkspartij, Anti Revolutionaire Partij en Christelijk Historische Unie. De controverse die hier nauw verband mee hield was de waarde die gehecht diende te worden aan de christelijke grondslag. `Zonder deze ideologische discussies is de trage vorming van het CDA niet te verklaren. Als werkelijk het machtsmotief een overheersende rol zou hebben gespeeld, zou de fusie veel eerder hebben plaatsgevonden', concludeerde de historicus Rutger Zwart vijf jaar geleden in zijn boek Gods wil in Nederland.

Het is fascinerend dat de discussie die, getuige de verbetenheid waarmee deze destijds werd gevoerd, dezelfde lading had als de vraag of de slang nu wel of niet gesproken had, nog steeds niet verstomd is. De nu 78-jarige Wim Aantjes, die als fractievoorzitter van de ARP nauw betrokken was bij de fusie, doet in zijn bijdrage aan het twee weken geleden verschenen boek Waarden die binden het debat van dertig jaar geleden nog eens dunnetjes over. Het evangelie heeft volgens Aantjes niet alleen een boodschap, het is de boodschap voor deze wereld. Vervolgens ontleedt hij in een paar zinnen ragfijn de verwatering die in zijn beleving binnen het CDA is ontstaan. Het gaat, aldus Aantjes om `de legitimatie van wat we met een pretentieus woord plegen aan te duiden als christelijke politiek. Dit is ook de basis van waaruit het CDA zegt politiek te willen bedrijven: het evangelie als richtsnoer voor het politieke handelen. Maar nu is het wel opletten geblazen! Of dit werkelijk betekenis heeft, blijkt niet uit hoe het in de grondslagformule omschreven is, maar hoe het houvast geeft voor de politieke praktijk. Want daarop komt het aan. Niet hoe we het zeggen, maar hoe wij er vanuit handelen'.

Aantjes herinnert eraan hoe de eerste voorzitter van het CDA, de uit de KVP afkomstige Piet Steenkamp het dispuut trachtte op te lossen met de uitleg dat de christelijke grondslag van het CDA geen pretentie uitdrukte maar slechts een intentie. En alsof de fusiebesprekingen nog volop gaande zijn brengt Aantjes hier tegenin: `Aardig gevonden omdat het van de nodige bescheidenheid blijk geeft, maar een oplossing is het niet. Integendeel. Het verheldert niet, maar is juist verhullend, want intenties, (goede) bedoelingen zijn niet toetsbaar en daarmee te vrijblijvend. Of de politieke praktijk bestaan kan in het licht van het principiële uitgangspunt moet getoetst kunnen worden. Op de toetsing en verantwoording komt het juist aan. Niet uit de pretentie niet uit de intentie, maar uit de presentie wordt principiële politiek gerechtvaardigd.'

De roep om principiële politiek is het CDA vooral ook tijdens de in 1994 ingetreden oppositiejaren blijven achtervolgen. Want èn geen macht èn geen politiek profiel maakt een partij wel heel erg non-descript. Jaap de Hoop Scheffer kon duidelijk niet aan deze behoefte voldoen. Zoals Bob Goudzwaard, schrijver van het eerste CDA-programma Niet bij brood alleen het vorige maand uitdrukte in een vraaggesprek met het weekblad Hervormd Nederland: ,,Hij kent het gedachtegoed van de christelijke sociale beweging niet. Als hij daar iets over zei, merkte je dat hem dat was ingefluisterd door medewerkers. Hij zei een lesje op dat hij van buiten had geleerd.'

Dit is nu iets dat Jan Peter Balkenende zeker niet kan worden verweten. Sterker nog, hij was waarschijnlijk één van die medewerkers waar Goudzwaard op doelde. Als iemand geverseerd is in de theoretische basis van het christelijk-sociaal gedachtegoed is het juist Balkenende. Niet voor niets behalve Tweede Kamerlid al sinds 1993 bijzonder hoogleraar christelijk sociaal denken over economie en maatschappij aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Voordat hij in 1998 in de Tweede Kamer werd verkozen kreeg hij zijn theoretische politieke vorming als medewerker van het wetenschappelijk bureau van het CDA. Geboren in het Zeeuwse Kapelle, geschoold aan de VU, gevormd in het Abraham Kuyperhuis waar het partijkantoor van het CDA is gevestigd. Balkenende is qua levensloop in alle opzichten de wandelende reïncarnatie van de ARP. En nu dus partijleider.

Wat zal dit voor het CDA betekenen? Het gaat er in eerste instantie nog niet eens om of het CDA onder zijn leiding een linkser dan wel rechtser aanzien krijgt. Dat zijn voor de christen democratie altijd al betrekkelijke begrippen geweest waarmee zeer pragmatisch werd omgegaan. Waar het wel om gaat is dat het CDA onder leiding van Balkenende alle kans heeft uit te groeien tot een ideologische partij. Meer ARP dan KVP dus.

Juist deze week kwam het maandblad Christen-democratische Verkenningen van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA met een enkele pagina's tellende bibliografie van Balkenende. Wat daarbij opvalt is dat hij of als medewerker of als secretaris betrokken is geweest bij de totstandkoming van nagenoeg alle belangwekkende CDA-rapporten van de laatste jaren. Op die manier heeft hij dus zelf voor een niet onbelangrijk deel de theoretische basis gelegd voor de politiek die hij nu als partijleider in de praktijk kan gaan uitdragen.

Balkenende behoort tot de CDA'ers die de verbanning naar de oppositie in 1994 als zeer heilzaam hebben ervaren. Door de permanente centrale positie in het landsbestuur was de partij te ver verwijderd geraakt van de politieke uitgangspunten. In zijn bijdrage aan het vorige maand verschenen tweeëntwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme, dat dit jaar als ondertitel draagt Zeven jaar paars, erkent Balkenende dat de oppositiejaren door het CDA zijn benut voor een heroriëntatie op de eigen positie en dat daartoe ook alle aanleiding was. Die heroriëntatie omvat drie belangrijke elementen. Allereerst is er gekoerst op het kompas van het gemeenschapsdenken. Een denken dat volgens hem `duidelijk communitaristisch' is bepaald. Ten tweede zijn christen-democratische begrippen als soevereiniteit in eigen kring en subsidiariteit gerevitaliseerd. Balkenende: `De slag die dus wordt gemaakt is dat de verantwoordelijke samenleving niet langer in eerste aanleg vanuit de instituties maar vanuit mensen zelf wordt gezien.' En tenslotte is het CDA in het kader van de heroriëntatie ook nog op zoek gegaan naar, zoals Balkenende het noemt, `de betekenis van de morele dimensie voor de aanpak van maatschappelijke vraagstukken'. Volgens hem zijn deze oriëntaties met een verwijzing naar Abraham Kuyper op te vatten als een moderne vorm van `architectonische maatschappijkritiek'. Ze zijn bedoeld als een alternatief voor processen van `verzakelijking, anonimisering, economisering en voor een ordeningsparadigma dat te zeer gefixeerd is op staat en markt'. Inderdaad, zo zei Jaap de Hoop Scheffer het nooit.

Het is interessant te zien hoe Balkenende vanuit dit theoretische kader het paarse beleid beoordeelt. Maar dat valt tegen. Veel verder dan de constatering dat Paars een verwerpelijke pragmatische uitruil van wensen en doelen is geweest tussen de traditionele tegenpolen PvdA en VVD komt hij niet. De agenda van paars en die van de samenleving zijn volgens Balkenende `meer en meer uiteen gaan lopen' maar het bewijs dat hij daarvoor aanvoert is flinterdun. Bovendien, heeft een pluriforme samenleving wel een agenda?

Sociale verbanden staan onder druk en er is een roep om nieuwe discipline, stelt Balkenende. Voorts is er sprake van een toenemende stress die het privé-leven onder druk zet. En tenslotte is er een afnemende identificatie met werk en een verminderd streven naar economische status. `Dit maakt meer en meer plaats voor verlangen naar rustpunten in de huiselijke sfeer', schrijft hij. Maar zijn dit dan zaken waarmee volgens Balkenende de politiek zich wel zou moeten inlaten? Want dat is toch wat hij met deze opsomming van problemen suggereert.

Het is in elk geval een benadering die moeilijk valt te rijmen met zijn filosofie over de terugtredende overheid die hij verdedigde in zijn in 1992 verschenen proefschrift Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties. Zijn invalshoek daarbij was dat maatschappelijke organisaties een grotere regulerende rol kunnen en behoren te spelen. `Een grotere regulerende rol van maatschappelijke organisaties is een uiting van het zoeken naar nieuwe afwegingsmechanismen in de samenleving en naar een verdere ontwikkeling van de trits zelf-doen, zelf-financieren, zelf-reguleren.'

Volgens hem zou de overheid zich `geloofwaardiger' kunnen maken en tevens betrouwbaarder overkomen, indien zij zou aangeven wat wèl en wat niet van haar verwacht kan worden. In zijn proefschrift geeft Balkenende daarvoor zelf een aantal stelregels die overeenstemmen met het criterium `subsidiariteit en evenredigheid': de zaken zijn privaat, tenzij publiek handelen geboden is; decentraal tenzij centrale afwegingen noodzakelijk zijn, en pluriform tenzij minimumnormen worden geschonden.

De van oorsprong protestants-christelijke gedachte van `soevereiniteit in eigen kring' komt in bijna alle geschriften van Balkenende terug. Maar interessant is, dat hij de argumentatie van dit aloude leerstuk telkens aan de actualiteit weet aan te passen. Zo plaatst hij het maatschappelijk middenveld in een bijdrage aan de twee jaar geleden verschenen bundel De kunst van het leven geheel in het teken van het toen lopende waarden- en normendebat. Als een nieuwe Aantjes spreekt hij zich daar uit voor bevordering van solidariteit, verantwoordelijkheid en rentmeesterschap en voor het bouwen aan een samenleving waarin `gerechtigheid geen holle term is maar juist een richtinggevend begrip'. `Essentieel is dat voor een leefbare mondiale samenleving de morele dimensie aan betekenis dient te winnen. Dat inzicht betekent een radicale breuk met zaken als waardenrelativisme en individualisme, waar samenlevingen de laatste decennia steeds meer vertrouwd mee zijn geraakt.'

Daarbij heeft hij nog volop vertrouwen in het christendom. Na eerst met instemming de Fransman André Malraux geciteerd te hebben die zei: `de 21e eeuw zal religieus zijn of ze zal niet zijn', wijst hij op het belang van de pouvoirs intermediairs. `Na alle processen van secularisatie en ontkerkelijking zal het christendom opnieuw zijn waarde kunnen bewijzen als een richtinggevend moreel perspectief, niet in een verzuilde setting, wel in een wereld waarin het denken steeds meer gericht zal zijn op de betekenis van gemeenschappen, instituties, de civil society en waarden als verantwoordelijkheid, vertrouwen en integriteit.'

En dat doet dan toch de vraag rijzen waar Balkenende politiek uitkomt. Want een onmiskenbaar ideologisch geladen profiel noopt tot minder vrijblijvende stellingnames bij het alledaagse politieke handwerk aan het Binnenhof. Terecht is al op verschillende plaatsen geconstateerd dat de persoon Balkenende en het afgelopen dinsdag gepresenteerde ontwerpverkiezingsprogramma niet geheel sporen. Terwijl het CDA-programma zeker in zijn financiële uitwerking toch het meest in de buurt van de VVD uitkomt, neemt Balkenende in zijn geschriften en boekwerken juist opvallend vaak afstand van het liberale ideeëngoed.

Dat blijkt bijvoorbeeld als hij voor het blad Christen Democratische Verkenningen in 1996 de befaamde Den Uyl-lezing van Kok recenseert waarin de PvdA-leider zijn partij van haar `ideologische veren' ontdeed. Balkenende noemt Koks visie `doortrokken van een liberale nestgeur' wat in de context van de rest van zijn verhaal zonder meer als een negatieve kwalificatie geldt. Kok had het in zijn lezing over twee visies die in de toekomst om voorrang zouden strijden: die van de minimale staat versus die van de actieve publieke sector. Maar volgens Balkenende is dit een verkeerde voorstelling van zaken. `Veel belangrijker wordt de tegenstelling: laten we zaken over aan het vrije spel van maatschappelijke krachten of kiezen we voor ordening van maatschappelijke betrekkingen? In het eerste geval gaat het om het wegnemen van allerlei rigiditeiten die de werking van het prijsmechanisme verstoren. In het tweede geval wordt – onverlet latend de noodzaak van meer marktwerking waar dat kan – gekoerst op het voorzien in institutionele arrangementen die nodig zijn voor billijke maatschappelijke verhoudingen.'

Daarmee maakt Balkenende toch een inhoudelijke keuze die dichter bij de sociaal-democratie staat dan bij het liberalisme. De vraag is natuurlijk wat er in zijn handelen als politiek leider nog overblijft van dat ideologische fundament. Een politiek leider die regelmatig in de voetnoten voorkomt staat weliswaar chique, maar voor electoraal succes zijn andere wegen nodig. Als `gewoon' CDA-politicus kon hij het zich nog veroorloven zich meer door zijn eigen proefschrift dan door de bijbel te laten leiden. Want afgezien van zijn uitspraken over de toekomst van het christendom, zijn bevlogen beschouwingen met het evangelie als leidraad bij hem niet te vinden. Omdat hij zich altijd met de instrumentele kant bezighield. Maar daarmee is Balkenende wel iemand met een zeer herkenbaar concept. Alleen dat al is voor het hele politieke bedrijf een aanwinst.

Frans Becker e.a. (red.): Zeven jaar paars. Tweeëntwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme. Wiardi Beckman Stichting/De Arbeiderspers, 328 blz. ƒ37,50

J.P. Balkenende: Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties (1992). Samson H.D. Tjeenk Willink, 330 blz. (niet meer leverbaar)

J.P. Balkenende (red.): De kunst van het leven (1999) Boekencentrum, 227 blz. ƒ41,65

W. Aantjes e.a.: Waarden die binden. CDA-regio De Waarden, 181 blz. ƒ22,95

    • Mark Kranenburg