De kleine heldere stem

Een vrouw in een gestreepte zomerjurk las William Blake voor. Het klonk als `plink-plink'. Onvergetelijk.

Daar zaten we dan met z'n vieren, met het klamme zweet van de actualiteit nog in onze handen, op een tot radiostudio verbouwde zolder in het centrum van Amsterdam, en vlak buiten het raam de lage herfstzon als lachende vijfde, te praten over Blake, godbetert, William Blake, de grote visionaire Britse dichter-graveur-schilder wiens vroegste `illuminated book' The Marriage Of Heaven And Hell uit 1793 onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen. We hadden het nodige voorwerk verricht door ons eensluidend enthousiast te verbazen over hoe tijdloos hedendaags de thematiek van Blake nog was en hoe krachtig en gracieus zijn stijl, maar hoe hermetisch soms zijn allegorische mythologie, en nu zaten we met z'n drieën verwoed met onze hoofden te knikken, onze vingers te knippen en onze voeten te tikken tijdens een even lange als geïnspireerde solo van de vierde man die zich in steeds nauwere cirkels om de glanzende kern van Blake's gedachtegoed heen bewoog. Hij was al begonnen ons daarvan, als bij een toverbal, twee of drie verschillende kleuren te laten proeven, toen ik mij plotseling, zonder enige waarschuwing vooraf, heel ergens anders bevond.

Ik zat nu vijfentwintig jaar terug in de tijd en zo'n dertienhonderd kilometer zuidelijker, bij Ascona aan het Lago Maggiore om precies te zijn in de gehoorzaal van de grote oude villa waar al sinds 1933, op inititatief van een rijke Jungiaanse oorlogsweduwe, elk jaar de Eranos Tagung wordt gehouden: een serie lezingen over psychologie, religie, kunst, filosofie en antropologie rond thema's als `Eenheid en verscheidenheid', `De spiegeling van de mens in de kosmos' en `Levensstadia in het creatieve proces'. Niet echt rock & roll, maar allerminst iets om je neus voor op te halen.

De rijen rechte stoelen, elk met het comfort van een ruwhouten kruis, werden grotendeels gevuld door hoogbejaarde dames en heren wier concentratievermogen tijdens de voordrachten ernstig te lijden had onder een nukkige spijsvertering, een krimpende blaas of een zich voortijdig aandienend middagdutje. Zelf had ik ook alweer een tijd niet echt goed op zitten letten toen de 67-jarige Kathleen Raine, een Engelse dichteres type oud meisje in blauw-wit gestreepte zomerjurk, achter de lessenaar plaatsnam om een verhaal te gaan houden over William Blake. Van `Poor Blake' zoals zijn vrienden hem destijds noemden wist ik op dat moment eigenlijk weinig meer dan dat hij ooit met zijn `stem van steen' beatdichter Allen Ginsberg op een zolderkamer in Harlem zijn eerste grote visioen van de oneindigheid had bezorgd. Hij was een van die grote klassieke dichters en schrijvers wier werk ik binnenkort beslist zou gaan lezen maar nu nog even niet. Hoe dan ook, ik zat naar buiten te kijken toen Kathleen Raine over Blake begon, want buiten scheen de zon en dat is zacht uitgedrukt: als een waaier waterskieërs op gouden planken scheerden haar stralen over het azuren oppervlak van het meer.

En als ik niet naar buiten keek, keek ik steels opzij, naar het uit een schilderij van Modigliani gesneden profiel van het meisje waarop ik tijdens de koffiepauze op het grote terras vergeefs geprobeerd had indruk te maken. O, ze was heel vriendelijk geweest en voorkomend en, althans voor de duur van een menthol-sigaret, zelfs licht geamuseerd door mijn charmant-recalcitrante houding, maar duidelijk ook te mooi en te slim en te rijk en te chique en dus veel en veel te goed voor mij. Als ik daar nog aan mocht twijfelen, hoefde ik alleen maar even naar haar moeder te kijken die ons binnen gehoorsafstand vanonder haar als een helm in de zon glimmende kapsel nauwlettend in de gaten hield. Mijn huid gloeide nog na van alle blikken die er dwars doorheen waren gegaan.

Was het maar waar, dacht ik, wat mijn niet-heteroseksuele reisgenote – naar ik de vorige avond had begrepen – scheen te denken, namelijk dat het nou eenmaal zo geregeld is dat hetero-vrouwen qualitate qua geen enkele keus hebben en automatisch moeten vallen voor elke man die hen begeert. Als regel nogal absurd, maar bij wijze van uitzondering niet onaantrekkelijk.

Ze had een kleine maar heldere stem, Kathleen Raine. Te midden van het gonzen van de hitte, het kraken van de stoelen en het gerommel van de magen klonk elk woord als een dauwdruppel die van een boomblad in een vijver valt, plink!, en dan vlak achter elkaar, plink-plink!, als twee zilveren belletjes in een kristallen schaal en, nu allemaal samen, plinkerdeplink!, als evenzovele mini-cymbaaltjes langs de rand van Gods eigen tamboerijn. Ik was, kortom, alweer helemaal bij de les toen ze zich bij het citeren van een passage uit een van Blake's gedichten plotseling versprak. Ze bloosde, keek over de rand van haar montuurloze bril even de zaal in en zei toen dat ze van voren af aan zou beginnen, ,,I don't want to spoil this, because it's very very beautiful.''

Te zeggen dat ik op slag verliefd was, is overdreven maar niet heel erg: ik zou `m op dat moment met liefde gekust hebben, de dunne oudroze mond die deze woorden uitsprak, al was het maar om tegelijk een flinke teug van haar levensbeamende adem in mijn longen te kunnen zuigen – genoeg in ieder geval om de hele steunende meute om mij heen het Lago Maggiore in te blazen, inclusief de misprijzende moeder van de hautaine dochter.

Kathleen Raine: ,,Ik wil het niet verpesten, daarvoor is het veel te mooi.'' Wat niet? Alles wel! De wereld, het leven en de literatuur, niet toevallig te beginnen bij een gedicht van Blake.

Na afloop van haar lezing bladerde ik in de met kostbaar Chinees antiek ingerichte bibliotheek van de Eranos-villa de bloemlezing van Blake's poëzie door, die Raine zes jaar eerder voor Faber & Faber had samengesteld. Haar inleiding eindigde met een opsomming van de verschillende aspecten van Blake's grootheid: profeet van de industriële revolutie, bevlogen opponent van het materialisme, voorloper van de moderne psychologie, heraut van een Nieuwe Tijd en ,,eenvoudigweg de onbetwiste grootmeester van de metriek van de lange regel in de Engelse dichtkunst''. Bij die laatste woorden en ik weet dat zoiets in mijn geval niet altijd alles zegt, want het kan mij ook overkomen als ik 's middags in de wasserette net iets te lang naar het ronddraaien van mijn was heb zitten kijken, sterker nog, dat ìs mij overkomen, maar toch – na die laatste woorden schoot ik opnieuw vol, zó veelzeggend vond ik het dat ze juist met die kwalificatie besloot. ,,.... or, more simply, as the finest master of the metrics of the long line in English poetry.''

In de loop der jaren zijn die twee uitspraken van Kathleen Raine die over het niet willen verpesten van iets moois en die over de metriek van de lange regel – in mijn hoofd onlosmakelijk met elkaar verbonden geraakt. Samen hebben ze ook een heel eigen geluid gekregen: het `plink-plink' van de sneeuwklokjes in de stem van Raine, maar dan met gitaar-en-orkest. Ik hoor het nog vaak, dat geluid, soms bij verstek. Zo kreeg ik onlangs, een jaar na dato, van iemand een mapje opgestuurd met alle reacties op de `Dylan-voor-de-Nobelprijs avond' in de Amsterdamse Melkweg. Vaak lacherig van toon, laatdunkend soms of juist laaiend, licht gewichtig en loodzwaar. Wat ik miste – ik was er niet, ik was even weg – was iemand die, liefst gekleed in een blauw-witte zomerjurk, `simply' gewag maakte van 's mans langregeligheid, de bevrijdende kracht van zijn langademige woordlust. En nu – van Ascona anno 1976 weer even plotseling teruggeflitst naar het onzekere heden van een radiostudio in Amsterdam – hoorde ik de echo van de woorden van Kathleen Raine beslist luid en duidelijk doorklinken in de even onstuitbare als aanstekelijke vierhandige drumsolo die ons panellid weggaf op het thema `Blake'.

En ik begreep dat de metriek van de lange regel wel eens ons beste wapen kan blijken te zijn tegen alle krachten – of ze nu van buiten komen of, vaker nog, van binnenuit – die willen verpesten wat mooi is.

Plink. Plink-plink. Plinkerdeplink.

William Blake: Het huwelijk tussen hemel en hel, vert. Sylvia Koetsier. Uitg. Bijleveld, Prijs 45,-