Alles om de eigen huid te redden

`Ik haat de oorlog, ik haat hem als de pest, en vaak, vaak is deze haat, een avontuurlijke en wilde haat, het enige dat mij in leven houdt.' Zo mogen we het horen, van Nobelprijswinnaar Heinrich Böll. Hem koesteren we immers ook in Nederland als wakkere antimilitarist, als onvermoeibare strijder voor recht en vrede, kortom: als Goede Duitser. En in zijn oorlogsbrieven, die nu verschenen zijn, vinden we passages die dat mooie beeld bevestigen, passages zoals hierboven. Maar soms hemelt hij ineens de oorlog op: `Ik weet wat voor machtige betovering bezit van je neemt wanneer je in een troep marcheert die naar het slagveld trekt; niemand kan deze macht weerstaan.'

Heinrich Böll (1917-1985) was 22 toen hij onder de wapenen werd geroepen. Jong genoeg om zich tegen zijn lot te verzetten en oud genoeg om zich erin te schikken. Als zijn Briefe aus dem Krieg íets duidelijk maken, dan is het wel dat een soldaat, zelfs al is hij tegen de oorlog, moeilijk tegen het land kan zijn waarvoor hij vecht. `Bedenk toch', schrijft soldaat Böll in 1943 aan het kennelijk twijfelende thuisfront, `dat wij Engeland en Amerika met een fractie van ons leger in onze greep houden, en wat komt er een potentieel vrij als Rusland is uitgeschakeld!' Precies: een soldaat wil de oorlog winnen.

Maar een jongeman wil vrij zijn, en de jongeman Heinrich Böll heeft een extreme behoefte aan vrijheid. Omdat hij schrijver is. Op het tijdstip dat zijn civiele bestaan afbreekt, in 1939, heeft hij nog niets gepubliceerd maar zijn schrijverschap neemt hij mee naar de kazerne. In overvolle barakken, temidden van brallende kerels, probeert Böll zijn gedachten schriftelijk te fixeren. Vervuld is hij van het verlangen de wereld te bekeren. De voormalige boekhandelleerling droomt van een leven met `kruis, liefde en kunst', een leven nabij God, die zondaars reinigt met `het heilige bloed van Christus'. Dáár moeten de romans over gaan die hij in de chaos van de oorlog nog niet op papier krijgt. Dáár wil hij de moderne mens van doordringen.

Krachtpatserij

Met hem is het droevig gesteld: `Deze weerzinwekkende oppervlakkigheid, die nooit bloedt en nooit iets riskeert. Ach, de bijbel [-] zegt: ,,God verdoeme de lauwen!!'' Zulke christelijke krachtpatserij is niet alleen bedoeld om indruk op God te maken maar ook op een vrouw. Ze heet Annemarie, ze treedt in 1942 met Heinrich Böll in het huwelijk en het gros van de 878 Briefe aus dem Krieg is aan haar gericht. Welke koosnaampjes hij haar gaf komen we nooit te weten, want Annemarie Böll heeft Heinrichs brieven gekuist. Alle intieme passages zijn vervangen door haken met puntjes: zo, schrijft de weduwe in het voorwoord, zou haar man het hebben gewild.

Heinrich en Annemarie, legt nawoordschrijver James H. Reed uitvoerig uit, waren jeugdvrienden. De prille lerares kwam voor de oorlog vaak bij de familie Böll over de vloer. Daar was weinig geld, want vader Böll, ooit de trotse eigenaar van een werkplaats voor kerkmeubels, zat in de crisisjaren zonder werk. Idealisme was er wèl, en een grote saamhorigheid. De katholieke vriendenkring verwierp de nazi's maar ook de communisten. Door deze angst voor het `bolsjewistische gevaar' begrijp je iets beter waarom Heinrich Böll de oorlog niet wilde verliezen. Door de obsessie van die vrome jongelui met heiligen begrijp je ook waarom Heinrich Böll soms bereid was zijn leven te geven, zoals in deze brief: `Ik zeg je heel nuchter en helder [...] dat er na de martelaarsdood geen edeler manier van sterven bestaat dan als soldaat oog in oog met de vijand te sneuvelen.' Alleen: je begrijpt nog niet alles. Want dezelfde man die zo nobel over zelfopoffering sprak deed z'n best om zijn huid te redden.

Hij was een meester in het simuleren. Vreemde ziektes overvielen hem, `de wolhymnische koorts' bijvoorbeeld of een merkwaardig getrek met zijn ooglid waardoor hij `ongeschikt' was `om te schieten'. Later snoefde hij tegen iedereen die het maar wilde horen: `Vier keer gewond geweest.' Zoals hij ook vlijtig de mare verbreidde dat hij maandenlang aan het Oostfront had gevochten. Zijn oorlogsbrieven vertellen een ander verhaal: Böll was bij elkaar maar drie weken in het barre oosten. Eerst op de Krim, in een zonnebloemveld. En toen in Jassy, waar hij het één dag volhield. Daar, aan de Roemeens-Russische grens, in het jaar 1944, liep hij inderdaad een ernstige verwonding op. Maar ook weer niet zo ernstig dat hij op het slagveld bleef liggen. Hij kon zich uit de voeten maken en dat dééd hij ook.

Drie weken aan het Oostfront en bijna zeven jaar in de luwte: zo ziet Bölls oorlog eruit. En de luwte vindt hij het ergst. Of hij nu in een Duitse reservistenkazerne ligt of in een lazaret, in een bunker aan zee of in de schuur van een Franse boer: nooit gebeurt er iets. Het is wachten, wachten, wachten. Op het einde van de oorlog, op vrede. Op de vijand, op actie en kicks. Ingespannen tuurt soldaat Böll door zijn verrekijker naar de overkant van Het Kanaal, waar de Tommy's vandaan moeten komen. Maar ze komen niet, ze landen verderop.

Wat hij wel te zien krijgt? Luizen. En steeds weer die domme koppen van zijn kameraden, die geen kameraden zijn omdat hij op hen neerkijkt. Maar zijn superieuren veracht hij nog meer. Zij eten kaviaar terwijl de gewone soldaat genoegen moet nemen met brood en een waterig soepje; zij laten de gewone soldaat door de modder kruipen terwijl ze zelf smetteloos schone uniformen dragen; zij zwieren door de straten van de bezette steden met aan elke arm een deerne. Door een streng onderscheid te maken tussen de ontuchtige, wrede, in weelde badende officierskaste enerzijds en het onderdrukte, lijdende, aan vuil en ongedierte overgeleverde voetvolk anderzijds houdt Böll zijn geweten schoon.

Sjans

Aangezien hij voor zichzelf bepaald heeft dat hij niet echt bij de club hoort die plunderend en moordend door Europa trekt, is hij verbaasd wanneer de lokale bevolking hem niet mag. Wat trouwens zelden voorkomt. In Noordwest-Frankrijk, waar hij het grootste deel van zijn oorlogsjaren slijt, heeft hij zelfs sjans. De zestienjarige dochter van een waardin brengt hem met blozende wangen zijn post. Böll biecht het keurig op aan zijn Annemarie en zo weerstaat hij de verzoeking. Het Franse verzet merkt hij op na een aanslag op een Duitse trein, maar daar denkt hij niet over na: de hoofdzaak is dat passagier Böll ongedeerd is gebleven. Dwangarbeiders en krijgsgevangenen bejegent hij vriendelijk-onverschillig; over joden rept hij met geen woord. Pas toen hij zelf gevangen werd genomen, op 9 april 1945, en de geallieerden hem hersenspoelden, pas toen vielen hem de schellen van de ogen. Maar dat staat niet meer in Briefe aus dem Krieg. Die eindigen op 3 april, ook in het jaar 1945, en zijn laatste brief klinkt strijdlustig: `Als we meer en betere wapens hadden zouden we hen [de Amerikanen] in een handomdraai omleggen.'

Om een dergelijke mededeling te begrijpen hoef je geen notenapparaat te raadplegen, maar toch is het goed dat redacteur Jochen Schubert voor zo'n apparaat heeft gezorgd. Schubert verwent ons ook met foto's, een kroniek en een landkaart van het destijds door Böll bereisde gebied, en het enige dat de lezer zelf moet doen is vergelijken. De oorlogs-Böll met de naoorlogse Böll en andersom. En dan zie je dat alle thema's uit Wanderer, kommst du nach Spa, uit Wo warst du, Adam?, uit Und sagte kein einziges Wort en ander vroeg werk al in de brieven zitten. De voorliefde voor de lijdende mens en het mededogen met arme sloebers. De weerzin tegen drill en de moeilijkheid je aan de dwang van de autoriteiten te onttrekken. De oneindige moeheid en de oneindige taaiheid. Het leven in de wachtstand, murw geslagen maar met een heel gebleven verlangen naar humaniteit. De tristesse van die wachtlokalen, de kazernes, de lazaretten, de stations, en de verknochtheid aan de geschonden Heimatstad Keulen. De existentialistische walging en de humor van de simulant.

De oorlogs-Böll was nog naar die thema's aan het zoeken. En soms raakte hij bij het zoeken de weg kwijt. Het kwam ook voor, zie het hoofdstukje `simulant', dat hij maar deed alsof hij de weg kwijt was, dat hij nationalistische en bijna-nazistische onzin uitkraamde om de censuur om de tuin te leiden. In zijn brieven, die misschien niet altijd alleen door de geadresseerden werden gelezen.

De oorlogs-Böll was sluw en voorzichtig en zo nu en dan onbesuisd. Hij was een schrijver in spe met een uitgesproken besef van zijn uniciteit, maar zijn verstrikking leek op die van honderdduizenden andere Duitse soldaten. Om dat alles, en niet zozeer om de wisselvallig-pathetische stijl, verdient Briefe aus dem Krieg het om gelezen te worden.

Heinrich Böll: Briefe aus dem Krieg 1939-1945. Twee delen, bezorgd door Jochen Schubert. Kiepenheuer & Witsch, 1652 blz. ƒ112,70.

    • Anneriek de Jong