`Aan Vromans proza zie je dat hij kan tekenen'

Volgende week wordt K. Schippers 65 jaar. In 1958 las hij de stukjes van Leo Vroman op de voorpagina van Het Parool.

In Barbarberalfabet (1990), een bloemlezing uit het `tijdschrift voor teksten' van K. Schippers, J. Bernlef en G. Brands, staan drie tekeningen van schrijver-bioloog Leo Vroman. Die heeft hij in de New-Yorkse ondergrondse gemaakt, onderweg naar het laboratorium, vertelt K. Schippers. ,,Ook aan zijn prozastukjes kun je zien, dat Vroman tekenen kan: die hebben soms iets cartoonesks. Er is daarin van alles aan de hand, een beetje dat kwikzilverachtige. Het allerleukste aan zijn bundel Snippers vind ik dat het over alles kan gaan, en in elke vorm. Wat dat betreft is het een heel bevrijdend boek geweest.''

K. Schippers, die volgende week 65 wordt, is schrijver en essayist, met een bijzondere belangstelling voor beeldende kunst. Schippers las de stukjes van Vroman op de voorpagina van de krant Het Parool, nog voor ze in 1958 in Snippers gebundeld werden. In datzelfde jaar begonnen Schippers en zijn vrienden met Barbarber, waarin ze het onernstige en het alledaagse een plaats gaven, en speelden met de grens tussen kunst en werkelijkheid. Schippers: ,,Het was voor mij een tijd van oogsten, je zoog je vol met van alles. Op de middelbare school had ik al met Vroman kennisgemaakt, dankzij mijn leraar Nederlands Rob Nieuwenhuys. Je had toen bij Het Parool Carmiggelt, Willem Wittkampf, Jeanne Roos, allerlei dichters en schrijvers. Daar was ontzettend veel te halen voor mij. Die krant bood niet alleen een venster op Nederland; Vromans stukjes zijn allemaal in New York geschreven.''

Schippers noemt enkele onderwerpen in Snippers met een hoog Barbarber-gehalte: ,,Het herinneren van oude telefoonnummers van verhuisde kennissen, of mensen die al dood zijn. En de jongen die zich opsluit in zijn kamer omdat hij alles wil opschrijven wat er is gebeurd – een loszittend schroefje van de kinderstoel, hoe zat dat nou?'' In het stukje `Stijl' staat: `Er zou iets zeer verrijkends zijn aan het soort schilderij dat in de keuken kan hangen, dat zich voor een deel door afgebeelde potten en pannen camoufleert, en zich op andere plekken van het doek schokkend aan de werkelijkheid ontworstelt.' Schippers: ,,Dat hebben we eens als een soort motto voor Barbarber gebruikt. Het verschil opheffen tussen schilderkunst en gewone dingen die je om je heen ziet; zoiets kun je met teksten ook doen. Er zijn trouwens vele bronnen aan te wijzen voor Barbarber. Rond 1958 was er een tentoonstelling van Kurt Schwitters in het Stedelijk Museum, dat was ook belangrijk voor ons. Een soort overeenstemming is er wel. Schwitters maakte collages van rommel die hij vond op straat. Bij Vroman zal ik het geen rommel noemen, maar zijn mogelijheden liggen wel overal. Zijn boek liet me zien dat je overal kan beginnen, dat er geen rangorde meer bestaat in de onderwerpen.''

Zelf schreef Vroman als inleiding bij Snippers: `Het liefst zou ik van een minimale aanleiding, een punt uit, in alle richtingen tegelijk willen denken'. Schippers: ,,Voor Vroman kan alles een nieuw begin zijn. Er wordt in die stukjes iets opengebroken dat glad is. Van alles komt er naar boven toe, zaken die anders onbesproken blijven. Vroman schrijft bijvoorbeeld: `Misschien heeft het beste geheugen hij die alles ongewoon vindt; misschien is de beste leraar niet degeen die alles redelijk weet te verklaren, doch die alles onzinnig weet te maken, op het juiste moment.' Dat is leuk en diepzinnig. Die twee worden vaak als tegengesteld gezien, maar bij Vroman vallen ze eigenlijk samen, waardoor je wel eens over het geraffineerde van de bewering heenleest. Het luchtige is ook de charme ervan. Het wordt je niet ingepeperd, zo van hier is nou eens iemand die de waarheid komt zeggen, nee, precies het omgekeerde, hij kiest voor de nonsensicale kant.''

Zeker nonsensicaal en ook mysterieus is `Niets', waarmee de bundel besluit. Voor Schippers is dat het allermooiste stukje. ,,Je moet je goed die krant voorstellen en iemand van een jaar of negentien. Je moet je ook proberen te verplaatsen in die tijd: de Suez-crisis, de Hongaarse opstand. En daar begon iemand nou niet eens een mening te verkondigen, maar een verhaaltje te vertellen dat onder je ogen verdwijnt, dat zichzelf opheft. Een openbaring was het, dat iemand dat aandurfde, te beginnen over niets, en dat zo'n krant het ook afdrukte. Het gaf moed. Wat je zelf van plan bent, dat weet je nog niet precies, maar dat zoiets kan... dat helpt je sprongen vooruit.

,,Snippers biedt zo'n vloed van allerlei mogelijkheden, die soms worden uitgediept, en dan holt Vroman alweer verder, of het stopt ineens. Het is niet goed samen te vatten waar hij over schrijft. Elke zin is eigenlijk raak. In `Achterdocht' beschrijft hij een jongen, die zich tegen de schrijver begint te verzetten: `De jongen heeft zich nors en nukkig teruggetrokken in een nabije onbezienbare plaats: tussen been en bal in mijn oogkas. Nu treft hem blijkbaar de spot in mijn stijl en overstelpt hem met achterdocht.' Dat is iets wat je in tekenfilms ook wel ziet, dat de figuur een gevechtje aangaat met degene die hem tekent. Er is een film van Chuck Jones, getiteld `Duck-A-muck', daarin zie je dat Daffy Duck getekend wordt door Bugs Bunny, maar hij geeft hem geen benen. Wat krijgen we nu, zegt Daffy dan, hoe moet ik nu weglopen zo? Zoiets gebeurt ook in `Niets'. Vroman roept een figuur op en een heel landschap, en die raken dan weer weg. Je kunt je er niks bij voorstellen, omdat hij alles steeds weer uitvlakt, en toch intrigeert het. Dat is cartoonesk. Het doet me ook denken aan de tekeningen van Saul Steinberg. Hoe kan je iets schrijven wat er is en tegelijkertijd niet? Vroman doet dat. Op het eind is alles weggepoetst, en nou moet ook nog degene die het leest naar huis worden gestuurd.''

Leo Vroman, Snippers. Querido, 1958, 131 blz. Opgenomen in: Proza, een keuze uit de verhalen (1984). Alleen antiquarisch verkrijgbaar.

    • Martijn Meijer