WIE DOEN ER MEE?

Bij de (girale) invoering van de euro op 1 januari 1999 waren er elf deelnemende EU-lidstaten: België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Ierland, Finland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Het zag er lang naar uit dat Italië niet direct zou kunnen meedoen als gevolg van de deplorabele situatie van zijn overheidsfinanciën. Door een opmerkelijke financiële inhaalrace zag de Italiaanse regering onder leiding van premier Romano Prodi, de huidige voorzitter van de Europese Commissie, echter alsnog kans aan de convergentiecriteria te voldoen. Daarmee werd de Europese Unie van een probleem verlost, want het zou volgens velen politiek onwenselijk zijn geweest wanneer Italië als een van de zes lidstaten die aan de wieg stonden van de Europese Economische Gemeenschap, niet vanaf het begin de euro had kunnen invoeren.

Voor veel EU-lidstaten is het vooruitzicht van een monetaire unie en een gemeenschappelijke munt een grote stimulans geweest om financieel orde op zaken te stellen. Spanje en Portugal hebben sinds hun toetreding tot de EU in 1986 alom bewondering afgedwongen, omdat zij ook een grote economische achterstand op de andere lidstaten moesten goedmaken. Met financiële steun uit de Europese structuurfondsen wisten de beide landen hun economieën in hoog tempo te moderniseren en klaar te stomen voor de monetaire unie.

Ook Griekenland, dat in 1981 tot de EU toetrad, moest van ver komen. In 1999 voldeed Griekenland nog niet aan alle criteria, maar nu is het land toch zover dat de euromunten en eurobiljetten ook daar gaan circuleren.

Drie EU-lidstaten doen voorlopig niet mee aan de euro, alle om politieke redenen. Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken bedongen bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht – toen de afspraken over de Economische en Monetaire Unie (EMU) werden gemaakt – een uitzonderingsclausule. Volgens deze `opt out' zullen in beide landen eerst regering en parlement met toetreding tot de EMU moeten instemmen. Premier Tony Blair heeft de Britse kiezers een referendum over eventuele invoering van de euro beloofd. In Zweden besloot het parlement in 1997 dat het land niet aan de EMU mee zou doen. (Noorwegen behoort niet tot de EU en doet dus ook niet mee aan de euro.)

De twaalf kandidaat-lidstaten (Bulgarije, Cyprus, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slowakije, Slovenië, Tsjechië) komen pas na toetreding tot de EU in aanmerking voor de monetaire unie. Maar dan moeten zij wel eerst aan alle criteria voldoen.