`Terugkeer uit oorlog niet zo kil'

De Nederlandse regering van direct na de Tweede Wereldoorlog valt weinig te verwijten als het gaat om haar inspanningen voor de terugkeer en opvang van oorlogsslachtoffers. Dat blijkt uit De Meelstreep, een historische studie die vandaag is aangeboden aan premier Kok.

Kok erkende vorig jaar nog dat de overheid destijds de naar Nederland teruggekeerde slachtoffers van de oorlog in Europa en Azië had tekortgedaan. Hij sprak daarbij van een ,,kille ontvangst''. Bij wijze van tegemoetkoming stelde de regering toen honderden miljoenen guldens beschikbaar voor nabestaanden en organisaties van joodse slachtoffers, geïnterneerden uit Nederlands-Indië, door de Duitsers vervolgde Sinti en Roma, en belangenbehartigers van homoseksuelen. Bovendien werd zo'n vijf miljoen uitgetrokken voor historisch onderzoek, uitgevoerd door de Stichting Onderzoek Opvang en Terugkeer, dat vandaag behalve De Meelstreep ook een bundel getuigenissen heeft opgeleverd.

,,Wie het geheel van claims en toezeggingen overziet'', schrijft auteur Martin Bossenbroek, ,,kan concluderen dat de uitkomst van de diverse onderhandelingen niet alleen werd bepaald door de kracht van de historische aanspraken. Hedendaagse politieke krachtsverhoudingen speelden evenzeer een rol. Daarbij springen twee belangrijke factoren in het oog: (de dreiging van) internationale pressie en de professionaliteit van de belangenbehartiging.''

Volgens Bossenbroek heeft de overheid destijds wel degelijk zo goed mogelijk geprobeerd voor opvang en hulpverlening aan repatrianten te zorgen. Dat `zo goed mogelijk' is met kennis van nu echter niet zo goed geweest, aldus Bossenbroek. Destijds was er wel ,,volop aandacht voor de psychische en emotionele nood van oorlogsslachtoffers''. Alleen, in de maatschappelijke context van die jaren werd die nood niet opgevat als probleem voor het individuele slachtoffer, maar als probleem voor `de volksgemeenschap'.

interview: pagina 7