Resultaat van politieke ruilhandel

Dertig jaar lang is er gepraat over een Europese monetaire unie. Pas na de val van de Duitse muur bleek één munt politiek haalbaar.

Als op 1 januari 2002 de euro in omloop komt, is dat eigenlijk dertig jaar later dan gepland. Al in 1971 presenteerde de Luxemburger Pierre Werner een rapport met aanbevelingen voor een monetaire unie.

De Europese Gemeenschap toen zes landen vond het een mooi plan. Na de oorlog was de dollar altijd het anker van het monetaire stelsel in de wereld geweest de Europese munten waren daaraan vastgekoppeld. Maar na 25 jaar groeide de wens een eigen Europese spil te maken en de invloed van de dollar te beperken. Dus kwam op initiatief van Helmut Schmidt en Valéry Giscard d'Estaing (de Duitse en de Franse minister van Financiën) in 1972 de monetaire `slang' tot stand; een voorstel om de munten van (West-)Duitsland, Frankrijk, Italië, de Benelux en Groot-Brittannië (hoewel geen EG-lid) te stabiliseren binnen een bepaalde bandbreedte (vandaar de beeldspraak `slang').

Maar het lukte niet. Het bleek buitengewoon lastig de afzonderlijke munten binnen de afgesproken marges te houden. Dat kwam doordat het financieel-economische beleid van de deelnemende landen sterk varieerde door uiteenlopende politieke ambities en agenda's. Geen enkel land was bereid zich te schikken naar de verplichtingen die uit deelname aan een monetaire unie voortvloeiden. Zoals zorgen dat de begroting op orde is en prijsstijgingen niet uit de pan rijzen. Zolang landen zich hieraan niet hielden, was samenwerking op muntgebied tot mislukken gedoemd.

Zo is het eigenlijk altijd gebleven; van 1971 tot nu toe, dertig jaar later. Enerzijds leeft de voortdurende Europese wens om monetair meer een eenheid te vormen en valuta-instabiliteit uit te bannen en anderzijds is er de terughoudendheid om de daarvoor noodzakelijke maatregelen tot afstemming van het economische beleid te treffen.

Er leek een stap voorwaarts gezet met de vorming van het Europese Monetaire Stelsel (EMS) in 1978, met Duitsland, de Benelux, Frankrijk, Italië, Denemarken en Ierland. De Duitse mark werd ankermunt; Het Verenigd Koninkrijk hield zich afzijdig. Maar ook dat stelsel werkte slecht. Frankrijk kon de hegemonie van de Duitsers niet verkroppen, de Franse inflatie liep buitensporig op en de Franse franc devalueerde voortdurend.

In een poging de Duitse dominantie te beperken, opperde de toenmalige Franse minister van Financiën Balladur in 1987 een Europese centrale bank op te richten en een gemeenschappelijke Europese munt. Maar dat was voor Duitsland onbespreekbaar: de gevierde D-mark opgeven? Nee. Toch ging een commissie onder leiding van de Franse oud-minister Delors de haalbaarheid van een gemeenschappelijke Europese munt onderzoeken. Daar kwam weer een rapport van.

Waarschijnlijk was ook `Delors' in een diepe lade beland, als niet de Berlijnse Muur gevallen was, eind 1989. Plotseling was de monetaire unie onderdeel geworden van de grote politieke omwenteling in Europa. De Duitse hereniging, veertig jaar lang een Duitse droom, lag binnen handbereik. Maar Europa, en vooral Frankrijk, was huiverig voor een al te machtig Duitsland.

Frankrijk zag zijn kans schoon twee vliegen in een klap te slaan toen het als één van de vier geallieerde mogendheden formeel zijn goedkeuring moest geven aan de Duitse hereniging. Het bedong dat Duitsland zijn mark zou opgeven ten gunste van een Europese munt. Duitsland, dat de eenwording dolgraag wilde en zijn Europese gezindheid wilde tonen, stemde morrend toe. In al zijn complexiteit was er sprake van een ordinaire uitruil: Duitsland kreeg zijn eenwording, Frankrijk werd `verlost' van zijn instabiele franc, kreeg de garantie dat Duitsland zou worden ingekapseld in Europa en zag de gelegenheid schoon weer een belangrijke rol te spelen binnen Europa. De Economische en Monetaire Unie werd door middel van het Verdrag van Maastricht (1991), waarin de toetredingseisen voor de EMU werden geformuleerd, bekrachtigd.

Maar hoe ideaal zij ook leek, sindsdien heeft de Europese monetaire unie eigenlijk alleen nog maar tegenslag gehad. 1992 was een rampjaar voor de EMU. Denemarken wees in een referendum `Maastricht' af. De Italiaanse lire viel dramatisch en vertrok. Spanje, Portugal en Ierland moesten devalueren. Op `zwarte woensdag', 16 september, dwongen grootscheepse speculaties het pond, twee jaar eerder toegetreden, uit het EMS. Het was onzeker of de EMU er ooit zou komen.

Uiteindelijk redde vrees voor gezichtsverlies de euro. 1997 kwam, het jaar dat `Maastricht' had betiteld als de eerste gelegenheid waarbij met een meerderheid van lidstaten de EMU kon beginnen. Er was geen meerderheid, geen enkel land kon dus beginnen met de EMU, maar ineens kreeg iedereen haast. Het was alsof de politieke leiders van de EU-landen eindelijk ten volle begrepen dat ze zich de afgang van een mislukking van het monetaire project niet konden veroorloven.

Als een land níet aan de toelatingscriteria zou voldoen, viel het buiten de eerste groep van landen die tot de monetaire unie zou overgaan. Dit mechanisme was impliciet bedoeld om de begingroep klein te houden, maar het werkte precies omgekeerd. Geen enkel land wilde er buiten komen te staan en vooral de zuidelijke landen deden `hysterische pogingen' (zoals de Nederlandse minister van Financiën, Zalm, zich liet ontvallen) om de toelatingscriteria te halen.

Uiteindelijk hebben twaalf landen het `gehaald': Finland, Ierland, Duitsland, Nederland, België, Luxemburg, Oostenrijk, Frankrijk, Spanje, Portugal, en opvallend, toch nog Griekenland en Italië. Hoewel, gehaald. De strenge toepassing van de toelatingscriteria, waarop Nederland voortdurend had gehamerd, werd terzijde geschoven. Het was een politiek besluit en de criteria werden met de nodige creativiteit geïnterpreteerd. Op de valreep stoppen en de zaak een jaar of wat uitstellen, zoals hier en daar voorzichtig was geopperd, zou nog veel grotere schade opleveren. Uitstel was uitgesloten. In 1999 werd de euro van kracht.

In de bijna drie jaar van zijn bestaan hebben de eurolanden nog weinig lol beleefd aan het monetaire avontuur of het moet zijn dat er zich geen valutacrises in Europa meer hebben voorgedaan zoals vroeger om de haverklap het geval was, en dat de deelnemers van euroland hun overheidsfinanciën behoorlijk op orde hebben gebracht. Maar een internationale reservemunt, een wereldmunt zoals de dollar, is de euro nog niet geworden.

Het heeft er veel van dat euroland nog steeds niet precies weet wat het wil met de euro. Om filmkomiek Groucho Marx te parafraseren: ,,Het antwoord voor Europa is de euro. Maar wat was de vraag ook al weer?''

    • Roel Janssen