Rekenen met een rampenscenario

Al het geld in Nederland omwisselen in euro's, hoe gaat dat in zijn werk? Het kost in elk geval tijd. En geld. En dan nog kan het misgaan.

Een lange stroom oranjewitte vrachtauto's van de TNT Post Group verlaat straks in de dagen na Kerstmis het Opslag- en Distributiecentrum van De Nederlandsche Bank in Lelystad. Hun lading is kostbaar: 2,8 miljard Nederlandse euromunten. De 360 miljoen eurobankbiljetten hebben dan – als het goed is – hun weg al gevonden naar winkelkassa's, pinautomaten, bankbalies en postkantoren. Die zijn vanaf 17 december verspreid door de waardetransportauto's van Brink en Geldnet. Ook heeft heel Nederland dan zijn gratis Zalmkit al afgehaald, met alle euromuntjes.

Op 1 januari 2002 gaat Nederland definitief over op de euro. En snel. Een `big bang' (in één dag omschakelen) bleek logistiek niet haalbaar, maar de zogenoemde duale periode, waarin zowel guldens als euro's mogen worden gebruikt, duurt in Nederland slechts vier weken – in andere landen soms drie maanden. De verwachting is dat Nederland na één week voor 70 procent in euro's zal betalen en na twee weken voor 95 procent.

De introductie kost geld. De totale geschatte kosten voor de private sector (banken en overig bedrijfsleven) bedragen ongeveer 7,5 miljard gulden. Dat is bijna net zoveel als de ministeries van Economische Zaken en Landbouw samen in een jaar uitgeven en bijna 1 procent van het bruto binnenlands product. Het grootste deel van deze kosten (zo'n zes miljard gulden) wordt betaald door het bedrijfsleven. Het merendeel gaat op aan aanpassing van boekhouding, apparatuur en software en aan het dubbel prijzen en administreren in de laatste zes maanden van 2001. Met name het midden- en kleinbedrijf (MKB) en de zakelijke dienstverlening dragen veel bij (beide 1,4 miljard gulden). Het MKB (95 procent van het aantal bedrijven in Nederland, ongeveer 450.000 ondernemers) maakt veel kosten voor het aanpassen van de pin- en chipautomaten en het voeren van een dubbele kassa, de eerste dagen na E-day.

De banken hebben het merendeel van hun kosten (ook 1,4 miljard gulden) al achter de rug, want sinds 1999 is de euro al betaalmiddel in het girale verkeer. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat de banken al winst maken met de euro. Koersschommelingen zijn sinds 1 januari 1999 verleden tijd, terwijl de banken nog steeds geld vragen voor het wisselen van buitenlands geld.

De overheid betaalt onder meer de productie, opslag en verspreiding van het nieuwe geld en de voorlichting erover. Het speciaal ingestelde Bureau Euro Omwisseling (BEO) heeft een budget van 305 miljoen gulden.

Tegenover de grote investeringen staan de baten van de invoering van de euro. Die worden (betrekkelijk conservatief) geschat op drie miljard gulden per jaar. De helft daarvan kan worden toegeschreven aan het afgenomen valutarisico voor multinationals en exporterende bedrijven. De industrie en de groothandel, die veel over de grens opereren, spelen na een jaar al quitte. Voor de grote financiers van de euro-operatie, het MKB en de zakelijke dienstverlening, duurt dat vier jaar.

Dat is het macroverhaal. Voor veel individuele detaillisten en ondernemers blijft de balans van de introductie van de euro voor altijd negatief. Bij MKB-Nederland komen de meldingen van de eerste euroslachtoffers al binnen: ondernemers die eigenlijk over een jaar of vier, vijf hun bedrijf wilden staken, maar dat nu al doen, voor de komst van de euro. De kleine middenstanders kunnen niet ineens concurreren met een groentenboer of slager in Portugal, maar moeten zich wel inspannen om de omschakeling aan te kunnen.

De Nederlandsche Bank heeft alvast uitgerekend hoeveel wisselgeld een winkel in huis moet hebben. Bij gemiddeld 500 contante transacties per week (een gemiddelde middenstander haalt dat makkelijk) zou het gaan om een hoeveelheid euromunten met het volume van een schoenendoos (bijna 900 euro), om de eerste week door te komen, plus voor ongeveer zeshonderd euro aan bankbiljetten, liefst kleine denominaties. Maar die voorraden zijn onvoldoende als iedereen ineens met briefjes van zeg 50 of 100 euro gaat betalen.

Nog erger wordt het als mensen in die eerste vier weken met guldens en euro's door elkaar betalen. In theorie kan het hele land ontsporen. Een onderzoek van de Nederlandse Spoorwegen, begin 2001, schetste een waar nachtmerriescenario voor E-day en de dagen erna: lange rijen wachtenden bij de supermarkten, massaal zwartrijden in de trein, automobilisten die, omdat ze niet kunnen betalen bij het pompstation, met volle tank en zonder betaling wegrijden, niet-werkende parkeerautomaten.

Dergelijke doemscenario's vermijden kan door in die eerste dagen zoveel mogelijk met euro's te betalen. Er wordt dan ook naar gestreefd de gulden zoveel mogelijk uit de roulatie te nemen. Pinautomaten geven de laatste dagen van december nog slechts kleine coupures uit (veel briefjes van 25 gulden) en via collectes en speciale acties van de banken wordt gepoogd de `vergeten voorraden' aan kwartjes, dubbeltjes en guldens uit de markt te halen. Toch zullen miljoenen mensen nog guldens in hun portemonnee hebben zitten als op 31 december de klok middernacht slaat.

Het hele probleem kan in één klap worden verholpen. De oplossing is simpel: frontloading. Het vooraf verspreiden van eurobankbiljetten onder de bevolking. Maar dat mag niet van de president van de Europese Centrale Bank, Wim Duisenberg. Geen van de direct betrokkenen durft het hardop te zeggen, maar angst voor vervalsing is de enige echte reden om niet vooraf al grootschalig bankbiljetten en munten onder de bevolking van Europa te verspreiden. Immers, niets is zo vernederend (en wellicht zelfs desastreus voor de koers) als al valse euro's op de dag dat de munt officieel in gebruik wordt genomen. Dus zullen we moeten wachten tot de oranjewitte vrachtauto's eind december hun waardevolle lading via een uiterst geheime route over het land verspreiden.

    • Egbert Kalse