IN DE TAAL BLIJFT DE GULDEN LEVEN

Wij zijn een volk van kooplieden en koopjesjagers, en dat heeft zijn sporen in het Nederlands nagelaten. Onze taal telt honderden zegswijzen met geldnamen.

Sinds kort zijn daarover aantallen bekend. In verband met de komst van de euro zijn de belangrijkste spreekwoordenverzamelingen uit de afgelopen tweehonderd jaar nagevlooid op uitdrukkingen met geld. Cent komt in meer dan 60 zegswijzen voor, stuiver in 67, dubbeltje in 49, kwartje in 11, gulden in 34 en daalder in 24.

Taalkundig gezien lijken we dus aan de vooravond van een slachting te staan. Nooit meer een kwartje voor je gedachten. Nooit meer: je kunt je gulden maar één keer uitgeven. Of: wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje.

Maar zal de Nederlandse woordenschat nu werkelijk worden kaalgevreten door de euro? Nee. Per 1 januari 2002 gaan we betalen met munten van 1, 2, 5, 10, 20 en 50 eurocent, en met munten van 1 en 2 euro. Daarnaast komen er biljetten van 5, 10, 20, 50, 100, 200 en 500 euro. Kortom, er vallen een paar munten en biljetten weg, namelijk het kwartje en de rijksdaalder, en de briefjes van 25 van 250 en van 1000.

Je hebt kans dat de volksnaam vuurtoren voor het briefje van 250 een stille dood zal sterven. En misschien moeten we onze kinderen straks uitleggen wat een rijksdaalder of een riks was, als ze die woorden tegenkomen in boeken die op hun literatuurlijst staan. Maar niemand hoeft zich zorgen te maken over de stuiver, het dubbeltje, het kwartje of de gulden.

Waarom niet? Omdat vooral in spreekwoorden en zegswijzen woorden heel lang kunnen voortleven, zelfs als we ze niet meer begrijpen. Zo kent iedereen de uitdrukking op zijn falie krijgen, maar wie weet dat falie oorspronkelijk, in de Middeleeuwen, een soort wijde regenmantel was? En wie kent de oorspronkelijke betekenissen van pottenkijker, (heet) hangijzer, klikspaan, klaploper of strijkstok, de kernwoorden uit verschillende uitdrukkingen?

Er zijn geen spreekwoorden met rijksdaalder of riks, maar er zijn genoeg algemeen bekende uitdrukkingen met de andere geldnamen om die namen een lang leven in onze taal te garanderen. Iets vergelijkbaars geldt voor de volksnamen. Alleen tussen 1862 en 1927 waren biljetten van 25 geel, maar we zijn dit briefje altijd geeltje blijven noemen, ook toen het rood werd. Het duizendje kreeg in 1860 de bijnaam rooie rug, vanwege de rode achterkant van het biljet, en die naam bleef bestaan toen het biljet groen werd. Dikke kans dus dat heel wat volksnamen, bijvoorbeeld piek, blijven bestaan.

De euro zal waarschijnlijk wel nieuwe geldnamen aan het Nederlands toevoegen. Er komen immers munten en biljetten met een geldwaarde die we nu niet kennen. Wat de munten betreft gaat het om twee, twintig en vijftig eurocent en om de munt van twee euro. De overheid heeft voor deze munten geen namen voorgesteld, maar een lezer van het tijdschrift Onze Taal bedacht in 1999 het volgende: twent voor twee eurocent, vierstuiver voor twintig eurocent, halfje voor vijftig eurocent en tweuro voor de munt van twee euro.

Over de naam twent schreef hij ter toelichting: ,,Wie meent dat ik de Tukkers een voorkeursbehandeling geef door de munt van 0,02 euro twent te noemen, moet beseffen dat na een paar jaar niemand bij dat woord nog denkt aan een inwoner van Twente. Bij de piek denkt toch ook geen mens aan kerstboomversiering?''

    • Ewoud Sanders