Identiteitscrisis over slachtoffer in strafproces

De Tweede Kamer behandelt volgende week de justitiebegroting. Daarbij zal meer dan gewone aandacht worden besteed aan de rol van het slachtoffer tijdens het strafproces. Toch is alleen al een slachtofferverklaring minder eenvoudig dan het lijkt, meent F.Kuitenbrouwer.

Nederland onderscheidt zich van de meeste van zijn Europese partners, om maar te zwijgen van de Verenigde Staten, doordat het geen vorm van juryrechtspraak kent. De rechtspraak is opgedragen aan professionele en onafhankelijke juristen. Een weliswaar niet onafhankelijk maar wel professioneel openbaar ministerie (OM) bewaakt als dominus litis (meester van het proces) de deur van de strafrechtszaal.

Voor participatie van de burger is in dit stelsel weinig plaats. Toch is er iets aan het schuiven in de vorm van een toenemende aandacht voor de juridische positie van slachtoffers van misdrijven. Dit werd door de Top van Tampere in 1999 zelfs tot Europese prioriteit verklaard.

Nederland liep voor de troepen uit met de zogeheten Wet-Terwee van 1995. Een belangrijke doelstelling daarvan was het vor slachtoffers beter mogelijk te maken om de geleden schade via justitie te verhalen op de dader. Ook bestempelde de nieuwe wet het als een plicht van politie en justitie om slachtoffers te informeren over de behandeling van hun zaak.

Onlangs is daar een verruiming bijgekomen van de mogelijkheden van het slachtoffer om bezwaar aan te tekenen tegen beslissingen van het OM om een strafvervolging niet door te zetten. Ook kunnen slachtoffers in ernstige zaken tegenwoordig een second opinion aanvragen als zij ontevreden zijn over de aanpak van het OM. Nog weer een ander initiatief is een experiment met een zogeheten victim impact statement, een slachtofferverklaring die in het procesdossier wordt gevoegd.

Vanuit de Tweede Kamer is zelfs aangedrongen op toekenning van een wettelijk spreekrecht aan het slachtoffer in een strafproces. Toch is alleen al de slachtofferverklaring minder eenvoudig dan het lijkt. Hij kan namelijk werken als een boemerang door kritische vragen van de verdediging over de rol van het slachtoffer zelf uit te lokken. ,,Verdediging van de verdachte is beschuldiging van het slachtoffer'', zei een feministische advocate al jaren geleden. Een andere kritische advocate zag juist het omgekeerde gevaar: ,,Het slachtoffer te vriend te houden door de verdachte te kort te doen''.

De toenemende aandacht voor de positie van het slachtoffer legt weinig minder dan een identiteitscrisis van de strafrechtspleging bloot. Dat blijkt al bij zoiets voor de hand liggends als het toekennen van een schadevergoeding door de strafrechter. De ratio daarvan is dat hij ten gunste van iemand werkt. Het wezen van de straf is echter dat hij in iemands nadeel is. Het is geen eenvoudige opgave twee zo uiteenlopende opgaven in één proces te verzoenen.

Een recente evaluatie van de Wet-Terwee door het Utrechtse Pompe-instituut voor strafrechtswetenschappen laat zien dat sommige magistraten het dan ook moeilijk hebben met de schadevergoedingsmaatregelen. Draaien ze niet uit op een subtiele vorm van infantilisering van het slachtoffer door justitie? Vormen ze niet een extra straf die een afgewogen straftoemetingsbeleid doorkruist?

Er dienen zich nog andere complicaties aan zoals een trend tot `commercialisering' van de slachtofferzorg, compleet met `productdifferentiatie': vrouwenhandel, allochtonen, jeugdigen, huiselijk geweld. Dit versterkt de vraag of niet een zekere `screening' van slachtofferaanspraken op zijn plaats is, zoals de Utrechtse hoogleraar strafrecht Kelk het onlangs uitdrukte in het tijdschrift voor strafrecht Delikt en Delinkwent. Er moet worden voorkomen dat minder zuivere motieven in het spel zijn dan op het eerste gezicht wellicht lijkt.

De Tilburgse expert Groenhuijsen betoogt, eveneens in het tijdschrift voor strafrecht ,,dat het slachtoffer definitief moet worden erkend als een zelfstandige actor binnen de strafrechtelijke procedure''.

Hoe dit vorm moet krijgen is een tweede. Een logische oplossing is het slachtoffer naar buitenlands voorbeeld een eigen plaats in het strafproces te geven als Nebenankläger. Een typisch Nederlands alternatief is het Forum voor herstelrecht dat in januari van start ging, een poging te zoeken naar sociale en jurdische alternatieven.

De keuze tussen deze twee richtingen is pas echt goed voor een strafrechtelijke identiteitscrisis.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.