Het raadsel trol

Een weekje wandelen in het Gudbrandsdal drukte mij weer met de neus op het feit dat Noorwegen het thuisland van de trol is. Het ene berghotel na het andere presenteerde zich met een keur aan langneuzige houten beelden. Aan de wanden hing menige bizarre verbeelding van een reusachtige berg- of bostrol, en hetzelfde gold voor de ansichtkaarten.

Toch zal het moeilijk zijn een Noor te vinden die heden ten dage met angst in het hart door een afgelegen bergstreek loopt. Het geloof in trollen is folklore geworden, behorend bij een tijd toen men ook geregeld roggemoeders en weerwolven om zich heen bespeurde. Een morsdood geloof dus, in tegenstelling tot het geloof in elfen dat hier en daar in Ierland en IJsland nog springlevend is.

In Noorwegen (en Zweden) blijft de trol voortleven in de namen van steden, streken en zelfs gasvelden. Omdat de trol met de vikingen meevoer naar de Faer⊘er en IJsland, heeft hij ook daar zijn stempel op het landschap gedrukt. Een van de mooiste schildvulkanen op IJsland, die als een wit geglazuurde pannenkoek in het binnenland ligt, heet de Trollenberg. En wil een Noor aangeven dat het ergens niet pluis is, dan zegt hij dat het er trollsk is.

De beroemdste trollen vloeiden uit de tekenpen van Theodor Kittelsen (1857-1914). Zijn illustraties van de volkssprookjes van Asbj⊘rnsen en Moe behoren tot het nationale Noorse erfgoed. Maar net als bij Vincent van Gogh liet erkenning lang op zich wachten en leidde de kunstenaar het leven van een armoedzaaier.

Trollen mogen dan sterk en angstwekkend zijn, zij zijn ook gemakkelijk voor het lapje te houden. Een slimmerik als de jonge Askeladden weet zich in sprookjesverhalen keer op keer meester te maken van de door trollen verzamelde goudschat. Zo bond hij tijdens een eetwedstrijd een leren tas om zijn middel, zijn tegenstander maakte hij wijs dat hij, door een gat in zijn maag te snijden, eindeloos veel pap kon eten. Waarop de trol zijn voorbeeld meende te volgen door het mes in zijn eigen buik te zetten en zo zijn goud en zijn leven verloor.

In zijn epos `In de ban van de Ring' laat Tolkien, naast hobbits, elfen, dwergen, orken, mensen en vele andere wezens, ook trollen opdraven. Zij vechten natuurlijk mee aan de kant van het Kwaad. Een trol is een felle vechtmachine, wiens huid tegen bijna alle wapens bestand is, maar hij is tevens een dommekracht. Hij werd gefokt als tegenhanger en bespotting van de goedaardige enten, het oude boomvolk. Uit angst voor zonlicht, dat hem in steen verandert, leeft hij 's nachts of onder de grond.

Wat is er zo bijzonder aan Noorwegen en Zweden dat zij de bakermat van het trollenras konden worden? Velen denken dat de natuur daar iets mee te maken moet hebben. Men heeft het dan over eindeloze wouden, grijsbebaarde bomen die krakend ter aarde storten, ja, wie het grootse schouwspel van de noordelijke natuur op zich laat inwerken zou de trollen als vanzelf tot leven zien komen.

Dat lijkt me een tamelijk onwaarschijnlijk verhaal. In het verleden heb ik eens de stelling geponeerd dat het geloof in trollen wel eens in verband zou kunnen staan met de aanwezigheid van Lappen in deze noordelijke contreien. Voor de naar het noorden oprukkende boeren, die steeds vaker in conflict kwamen met het rondzwervende volk van heidense rendiernomaden, groeide de Lap uit tot een schepsel dat met minachting en vrees werd bekeken. In boerenhuizen vertelde men de kinderen verhalen over donkere wezens, boemannen, die zich in bergen en bossen ophielden. Door overdrijving werden de Lappen – het oudste volk van Europa – tot de trollen uit het volksgeloof omgevormd.

Dit alles schoot mij te binnen na een wandeling over het Noorse hoogland, gebogen over een maaltijd van rendiervlees in een met trollen volgestouwd berghotel.

    • Gerrit Jan Zwier