Goed blijven letten op wat de buren doen

Hoe werkt de euro straks in de politieke praktijk? Veel gesteggel, is de verwachting. Verschillende prioriteiten zorgen voor botsingen.

Toen de Italiaanse minister Giulio Tremonti deze zomer, kort na het aantreden van de nieuwe regering-Berlusconi, meedeelde dat de budgettaire doelen niet zouden worden gehaald, brak in Brussel lichte paniek uit. De woordvoerder van Europees Commissaris Pedro Solbes (Economische en Monetaire Zaken) vond het ,,geen goed voorbeeld van economische beleidscoördinatie'' in de eurozone. De onrust in Brussel zakte wat, nadat Tremonti aan Solbes had laten weten maatregelen te nemen om de eerdere afspraken na te kunnen komen.

Sinds de economieën van de twaalf landen van de eurozone via de euro aan elkaar zijn gekoppeld, is het van het allergrootste belang dat iedereen zich aan de financiële discipline houdt. Zouden `Italiaanse toestanden' vroeger slechts tot een val van de lire hebben geleid, nu heeft een losse budgettaire discipline negatieve consequenties voor de euro. Dat is ook de reden dat de deelnemers aan de Economische en Monetaire Unie elkaar op tekortkomingen moeten kunnen aanspreken. Op overschrijding van de `Maastricht-criteria' staat een miljardenboete.

De overheidsfinanciën van een individuele lidstaat mogen het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank (ECB), gericht op prijsstabiliteit, niet ondermijnen. Ook moeten landen van de eurozone conjunctureel niet te veel uit de pas lopen. Want er is nog maar één rentebeleid voor de hele eurozone: dat van de ECB. Daarom moeten landen streven naar budgetevenwicht. Dat schept ruimte bij conjuncturele tegenwind zonder dat overschrijding van de Maastricht-norm dreigt. Ook kunnen `asymmetrische schokken', waarbij de economie van een lidstaat door een externe oorzaak in het ongerede raakt, beter worden opgevangen.

Hoe geloofwaardig is de euro ten opzichte van de dollar? Die vraag is des te pregnanter nu de wereldeconomie door de aanslagen van 11 september een forse deuk oploopt. Volgens Europese beleidsmakers zal de euro juist nu z'n waarde bewijzen door een relatieve schokbestendigheid van de eurozone. Feit blijft dat de Verenigde Staten een politieke eenheid zijn, waardoor coördinatie van beleid gemakkelijker is dan in de eurozone.

Op de obligatiemarkt wint de euro het nu van de dollar. Europese bedrijven die vroeger geld leenden bij de banken zoeken dezer dagen hun heil op de euro-kapitaalmarkt. Het gebruik van de euro bij internationale handelstransacties blijft nog wel achter, maar daarbij spelen ook tradities een belangrijke rol.

Peer pressure (druk van de eurolanden op elkaar) is het belangrijkste middel om in de eurozone evenwichtig financieel beleid te bevorderen. Eurocommissaris Solbes ziet de Globale Richtsnoeren voor Economisch Beleid – in Brussels jargon ook met het Engelse acroniem `BEPG' aangeduid – dan ook als de hoeksteen voor beleidscoördinatie. Ze bevatten naast algemene beleidsdoelstellingen ook beleidsaanwijzingen voor individuele lidstaten. Toch blijft de euro een munt zonder staat. Convergentiecriteria en richtsnoeren wekken hoogstens de illusie van een eurozone als `virtuele staat'.

De EU streeft niet alleen macro-economische stabiliteit na. Tijdens de top van Lissabon in maart 2000 onderschreven de regeringsleiders de ambitieuze doelstelling om de eurozone in 2010 tot de `meest concurrerende en dynamische op kennis gebaseerde economie ter wereld' te maken.

En dat met volledige werkgelegenheid en een grotere sociale cohesie. Wegens de toenemende vergrijzing worden ook toekomstige pensioenverplichtingen in de beoordeling betrokken. Structurele hervormingen – flexibeler arbeidsmarkt, meer onderzoek en ontwikkeling, levenslange scholing, vergroting van arbeidsparticipatie, modernisering van sociale-zekerheidsstelsels – zijn onderdeel van de Brusselse `richtsnoeren'.

Ook hier dringt de economische logica zich op: individuele eurolanden zijn wisselkoers en monetair beleid als aanpassingsinstrumenten kwijt. En dus moeten hun arbeids-, product- en kapitaalmarkten flexibeler zijn. De toverformule in Brussel is `open coördinatie': lidstaten kiezen door onderlinge vergelijking de `beste praktijken'.

De politieke verschillen zijn hierdoor echter geenszins weggepoetst. Zij worden juist manifester, nu de Europese interne markt zo langzamerhand zijn voltooiing nadert. Het diensten- en werknemersverkeer stuit nog altijd op hindernissen. Eurocommissaris Frits Bolkestein ziet z'n `Financiële Actieplan' als een topprioriteit. Een meer geïntegreerde Europese financiële markt levert de burger grote welvaartswinst op. Ter illustratie: in de VS lagen de rendementen van pensioenfondsen in de periode 1984-1998 op gemiddeld 10,5 procent, in EU-lidstaten was dat ruim 4 procentpunt lager. De EU heeft geen uniforme regels voor accountancy of beursprospectussen. En nog altijd belemmeren belastingregimes voor pensioenfondsen de arbeidsmobiliteit tussen lidstaten.

Maar de werkelijkheid laat zich moeilijk dwingen. De Franse socialistische premier Lionel Jospin onderstreepte in zijn rede van 28 mei 2001 over de toekomst van Europa dat de EU moet staan ,,voor een historisch gegroeid maatschappijmodel''. Frankrijk staat veel minder welwillend tegenover Angelsaksisch getinte markthervormingen dan landen als Spanje, Nederland of Groot-Brittannië.

Dat wekt vaak irritatie. Premier Tony Blair bereidt de Britten voor op de omruil van het pond in de euro. Hij benadrukt het belang van Europese markthervormingen. En waar Jospin meer sociale en fiscale harmonisatie wil, is Blair voor gezonde beleidsconcurrentie.

Kandidaat-lidstaten als Polen en de Baltische landen willen na het EU-lidmaatschap zo snel mogelijk de euro invoeren, al was het maar om de crisisgevoeligheid van hun economieën te verminderen. Hun deelname maakt efficiënte besluitvorming nog belangrijker. Anders komt van economische coördinatie weinig terecht. Tijdens de Europese top van Nice in december 2000 bleken regeringsleiders echter nauwelijks bereid meerderheidsbesluitvorming tot meer beleidsterreinen, zoals fiscale kwesties, uit te breiden en dus het vetorecht op te geven. Eén ding is zeker: de euro is een onvoltooid politiek project.

    • Hans Buddingh'