Geheim

Onlangs liep ik door het centrum van de stad waar ik lang geleden op een kantoor had gewerkt. Ik was er in geen jaren meer geweest, om me heen zag ik louter onbekende gezichten. Het gaf een prettig gevoel van anonimiteit dat ik vroeger in deze omgeving nooit had gekend.

Plotseling schrok ik op toen ik een vrouwenstem mijn voornaam hoorde noemen. De wereld was toch kleiner dan ik had gedacht. Ze liep al naast me, een kleine donkere vrouw met een pittig gezicht.

,,Ken je me nog?'' vroeg ze.

Carla. Hoe zou ik Carla kunnen vergeten? Aardige, loyale collega, nooit te beroerd om de brandjes te blussen die op gezette tijden tussen de grootste ego's ten burele konden woeden. Aantrekkelijk ook, maar spijtig genoeg onbereikbaar door het huwelijk waartoe ze al op jonge leeftijd had besloten.

,,Jij bent het nog helemaal'', zei ze.

,,Als je niet te dichtbij komt'', zei ik.

We lachten en bleven staan. Wat moet je zeggen tegen iemand die je tientallen jaren niet hebt gezien? Hoe warm het is voor de tijd van het jaar? Te neutraal. Vragen hoe het met de ander écht gaat? Te gevaarlijk. Ik begon daarom maar aan een omslachtige verklaring van mijn komst.

,,Heb je nog wel eens aan ons gedacht?'' onderbrak ze me halverwege.

,,Soms. Hoezo?''

,,Weet je dat er al zoveel dood zijn?''

Dat wist ik, maar ik liet haar voor de zekerheid toch maar even de namen ophalen. Die. En die. En die. En die ook? Hé, dat wist ik niet, of was ik het alweer vergeten?

Toen viel de naam van Beekman, Charles Beekman. Hij was onze chef geweest, een stille, oudere man die we allemaal graag mochten. Een zeer competente man van grote integriteit. Ja, aan hém had ik zeker nog wel eens teruggedacht, want zo vaak kwam je zulke mensen niet tegen. ,,Ik mis hem nog elke dag'', zei ze.

Ik schrok ervan. Ze had het gezegd op een toon alsof hij een paar weken geleden was overleden. Maar Beekman was al zo lang dood dat ik niet eens meer wist of het nu tien of twintig jaar was.

Zij wist het nog precies. Zestien jaar.

,,Elk jaar ga ik op zijn sterfdag naar zijn graf'', zei ze. ,,Een hele reis, want hij is in zijn geboorteplaats begraven.'' Toen, zonder overgang: ,,Ik heb erg van hem gehouden. Hij was mijn grote liefde.''

De schok van de verrassing maakte me bijna duizelig. Beekman en zij? Zo'n oude man met zo'n jong meisje? In ons brave stadje?

,,Ja'', zei ze met iets van triomf in haar stem, ,,dat hebben jullie nooit geweten. We hebben het altijd goed verborgen gehouden. Maar daardoor viel ik wel in een gat toen hij stierf. Een paar jaar later ben ik gescheiden.''

,,En zijn vrouw?'' vroeg ik.

,,Ik ben haar één keer tegengekomen bij zijn graf. Ze kende mij niet. Ze stond er al toen ik eraan kwam lopen. Ik heb verderop gewacht tot ze weg was.''

Ik zag die twee vrouwen daar staan op dat kerkhof, ik zag het grijze, droeve hoofd van Beekman boven hen zweven en ik dacht: ik moet maken dat ik hier wegkom.

    • Frits Abrahams