FRANSE MUNT VERDWIJNT GERUISLOOS

Meer dan zes eeuwen na de geboorte van de `gouden franc', op 5 december 1360, hebben de Fransen meer te winnen dan te verliezen bij de dood van hun nationale munt. De Franse munt heeft na de Tweede Wereldoorlog steeds opnieuw aan waarde ingeboet ten opzichte van de mark. Samengaan met de sterkste Europese munt betekent dus winst.

De nieuwe munt hád `franc' of `frank' kunnen heten. De Duitsers hebben het zelfs verschillende keren voorgesteld – de munt van drie EU-lidstaten en die van Zwitserland heet tenslotte zo – maar uitgerekend Parijs heeft het idee verworpen. De Fransen hadden er geen behoefte aan dat een nationaal symbool in andere, met name Duitse handen kwam. Als het nieuw moet zijn, laat het dan ook echt nieuw zijn. De euro dus.

Dankzij het prestige van president Mitterrand sprak een nipte meerderheid van de Fransen zich op 20 september 1992 uit voor het Verdrag van Maastricht dat de verdwijning van de nationale munteenheden van de EU-lidstaten regelde. De volgende dag moest de Banque de France de franc met aankopen ten bedrage van 40 tot 50 miljard francs beschermen tegen heftige aanvallen van speculanten. Weer later moest nota bene de Bundesbank meehelpen en net zolang francs aankopen tot de slag om de franc in het voordeel van de munt gestreden was. Het bewees eens temeer hoe zwak de munt was, ondanks de politiek van de `stabiele', van de `sterke' en van de `zware' franc die naoorlogse regeringen hadden gevoerd.

Er is nog een overweging waarom de als chauvinistisch te boek staande Fransen vrijwel geruisloos afscheid nemen van hun munt. Mitterrand, maar ook zijn opvolger Jacques Chirac, heeft de Europese eenwording altijd gepresenteerd als een noodzaak om oorlog te voorkomen. De euro is in de ogen van vooral oudere Fransen een kwestie van oorlog of vrede. Oudere vrouwen (velen van hen verloren hun mannen en vaders in de oorlog) bleken in grote meerderheid vóór het Verdrag van Maastricht te hebben gestemd.

Ze vormen tegelijkertijd een van de conservatievere groepen in de samenleving. Als zij al niet tegen zijn, wie dan wel?

    • Pieter Kottman