Een nieuwe regionale economie

Is Europa wel genoeg een een heid om de euro aan te kun nen? We kunnen de situatie alleen vergelijken met die in de Verenigde Staten. Die lijkt veel gunstiger, maar is in feite ook niet ideaal.

Per 1 januari 2002 betalen burgers en bedrijven van twaalf landen in Europa, waaronder Nederland, elkaar met één en dezelfde munt. Er is nog maar één centrale bank die heerst over de geldcirculatie en de rentestand. En er is, na alle speculaties of de Economische en Monetaire Unie (EMU) er al dan niet zou komen, nog maar één grote vraag over: gaat het lukken?

Van het slagen van de euro hangt veel af. De Europese Economische Gemeenschap, en later de Europese Unie, maakten vanaf 1957 vrienden van de voormalige vijanden in Europa. De muntunie maakt van de vrienden bloedbroeders. Door dik en dun. Dat zorgt ervoor dat van het slagen van de euro veel meer afhangt dan het succes of falen van een economisch model.

Zonder muntunie ging het in principe eenvoudig. Om de economie te sturen, staat een land een drietal instrumenten ter beschikking. De rente kan worden verhoogd of verlaagd al naar gelang de inflatie-ontwikkeling dat noodzaakt of toestaat. De munt zal stijgen of dalen ten opzichte van buitenlandse valuta's als het land aan concurrentiekracht wint of verliest. En de overheidsfinanciën fungeren als buffer waarbij er in slechte tijden een stimulerend tekort kan optreden, en in goede tijden een remmend overschot.

Twee van deze drie beleidsinstrumenten, de munt en de rente, zijn overboord sinds de muntunie in 1999 werd ingevoerd. Moedwillig devalueren of revalueren van de eigen munt, of het toestaan van appreciatie of depreciatie van de munt op de valutamarkt, is geen optie meer nu de euro alle twaalf verschillende munten heeft vervangen. Hetzelfde geldt voor het rentebeleid. Ook dat is, met de komst van de euro, gecentraliseerd. De Europese Centrale Bank, waar de centrale-bankpresidenten van alle twaalf eurolanden in meebeslissen, verhoogt of verlaagt de rente voor het gehele eurogebied.

De eerste jaren na zijn ontstaan zal de muntunie daarom kraken in zijn voegen. Landen die snel groeien, terwijl de muntunie gemiddeld het veel rustiger aandoet, zullen te maken krijgen met een rente en een munt die eigenlijk te laag voor hen zijn. Landen die kampen met economische stagnatie zullen diezelfde wisselkoers en rente juist als veel te hoog ervaren.

Dat vereist aanpassingen van beide kanten. De vraag is nu of er in de muntunie voldoende mechanismen overblijven om die aanpassing te kunnen maken. Sommige van die mechanismen zijn politiek bepaald, andere zijn een natuurlijk of cultureel gegeven. Samen moeten ze een antwoord geven op de vraag of de muntunie kan worden beschouwd als een optimal currency area, een optimaal valutagebied, zoals dat door de Amerikaanse econoom Robert Mundell in 1963 werd geformuleerd.

De Verenigde Staten zijn daarbij zelf het voorbeeld bij uitstek. Sinds de overwinning van de Noordelijken in de Amerikaanse Burgeroorlog, anderhalve eeuw geleden, is het land `Verenigd' onder een dollar. En sinds het begin van de twintigste eeuw heeft het de centrale bank, de Federal Reserve Board, in de vorm die wij nu kennen. De VS staan te boek als één soepele markt voor goederen en diensten, en één markt voor arbeid met – belangrijk – één taal. En via het heffen en over de deelstaten herverdelen van de inkomstenbelasting krijgen staten waar het even moeilijk gaat automatisch meer geld, dat wordt betaald door staten die juist te hard lopen. Zo ontstaat het beeld van een vloeiende, eenvormige economie waar de dollar zich als een vis in het water voelt.

Hoe scoort het Europese valutagebied, de eurozone, op al deze punten? In principe slecht. Op papier is er vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal. Maar dat is vooral theorie. In de praktijk staan taal- en cultuurverschillen de mobiliteit in de weg. Producten en diensten vertonen een relatief grote variëteit, waardoor regionale prijsverschillen makkelijker optreden, en hardnekkiger zijn. Het bestaan van flinke taal- en cultuurverschillen verhindert een grootschalige mobiliteit van werknemers. En ook de financiële stabilisatie werkt in Europa niet. De geldstroom die via het centrum, Brussel, loopt, bestaat voornamelijk uit rondgepompte landbouwsubsidies en voor het overige uit structuur- en sociale gelden waarvan de besteding politiek is vastgelegd. Alleen op nationale schaal is afgesproken dat de deelnemers van de muntunie hun begroting over de conjunctuur heen in balans houden. Maar een federale geldstroom zoals in de Verenigde Staten, is er niet.

Het gebrek aan dergelijke `stabilisatoren' maakt de Europese muntunie dan ook gevoelig voor `asymmetrische' economische schokken. Een plotseling stijgende olieprijs, het wegvallen van de groei van de wereldhandel, de vergrijzing: het ene land wordt er meer door geraakt dan het andere. En anders dan in de VS zijn er weinig automatische stabilisatoren in Europa.

Zo lijkt het erop dat de eurozone, geen optimaal valutagebied is. Maar zijn die er eigenlijk wel? Een purist zou zo ver kunnen gaan om veel kleinere gebieden dan nu het geval is een eigen munt te geven: het ontwikkelde Noord-Italië een andere lire dan het achtergebleven Zuid-Italië. De oostmark terug in Oost-Duitsland. De Randstad een andere munt dan de rest van Nederland. Dat is de oplossing niet.

Bovendien is het grote Amerikaanse voorbeeld niet zo ideaal als het lijkt. Ook in de VS zijn er regionale verschillen in economische structuur en in cultuur. Het beeld dat Amerikanen vrolijk huis en haard opgeven voor een paar dollar uurloon meer aan de andere kant van het land, is een karikatuur. Maar er zijn inderdaad blijvende regionale verschillen in de prijs van arbeid, en de prijs van goederen en diensten. De Europese Centrale Bank stelde een half jaar geleden in een studie dat de inflatieverschillen tussen grote Amerikaanse steden niet significant kleiner waren dan die tussen de grote steden in Euroland. En ook de VS worden regelmatig getroffen asymmetrische schokken. Zie de Texaanse oliecrisis in de jaren tachtig, de vastgoedcrisis aan de oostkust begin jaren negentig, en hightechcrisis van nu aan de Westkust.

Werkelijk optimale valutagebieden bestaan alleen op papier. En nog niet gesteld is de meer filosofische vraag: kan een munt enkel slagen als hij wordt ingevoerd in een optimaal valutagebied? Of ontstaat zo'n valutagebied juist als gevolg van het invoeren van één munt?

Vergeleken met 1979, toen de interne markt van de Europese Gemeenschappen nog in de kinderschoenen stond, is er in Europa al heel wat veranderd. Zomaar gaan werken, of een bedrijf starten, in een ander EU-land. Het overnemen van bedrijven, het beleggen buiten de landgrenzen, gemeenschappelijke kwaliteitsstandaarden, open markten voor telecom en financiële diensten: de lijst met veranderingen sindsdien is lang. De euro legt nog meer druk op dat proces, en draagt zo zelf bij tot het ontstaan van een regionale economie die steeds meer op een optimaal valutagebied zal gaan lijken.

Probleem is alleen dat zo'n verandering traag gaat. Wie verwacht dat de euro-economie in een paar jaar van gedaante verandert, moet geduld oefenen. Een paar generaties is een betere schatting voor de diepgaande culturele en economische processen die op gang komen. In de tussentijd zal het af en toe moeilijk zijn, en het zal niet bij één crisis blijven. Maar uiteindelijk zal de eerste grootschalige muntunie zijn ontstaan die er zonder oorlog, verovering of annexatie gekomen is. En dat was in het Europa, waar de eigen geschiedenis zo'n overweldigende rol heeft gespeeld bij de naoorlogse integratie, nou precies de bedoeling.