Vliegverbod rond kerncentrales VS

Onder de dreiging van nieuwe terroristische aanslagen is een onmiddellijk vliegverbod afgekondigd voor de omgeving van alle kerncentrales in de Verenigde Staten.

Vliegtuigen mogen sinds gisteren zich niet binnen twintig kilometer van de Amerikaanse kerncentrales vertonen en mogen de reactoren alleen op een hoogte van tenminste 5.500 meter passeren. De maatregel treft alle 103 vermogensreactoren die de Verenigde Staten bezitten; deze zijn verenigd in ruim zeventig centrales. Met het vliegverbod rond de kerncentrales is impliciet toegegeven dat de Amerikaanse reactoren niet bestand zijn tegen het geweld van een neerstortend verkeersvliegtuig.

In de dagen na de aanslag op het World Trade Center en het Pentagon kostte het actiegroepen en verontruste burgers nog veel moeite de Amerikaanse NRC (Nuclear Regulatory Commission) zover te krijgen dit toe te geven. Uiteindelijk wilde toen het IAEA, het bureau van de Verenigde Natiesvoor kernenergie in Wenen, het eerst met de harde waarheid voor de dag te komen.

Het Amerikaanse reactorpark is inmiddels wat verouderd. Als gevolg van de ongelukken bij Harrisburg (1979) en het Oekraïense Tsjernobyl (1986) zijn al sinds 1976 geen nieuwe reactoren meer in aanbouw genomen. Maar net zoals bijna alle andere Westerse kernreactoren voor elektriciteitsopwekking zijn die in de VS uitgerust met een zogenoemd `containment building'.

Meestal heeft dat gebouw de vorm van een ronde betonnen koepel die over de reactor is geplaatst. De primaire taak van die koepel is te verhinderen dat radioactieve gassen vrij komen als zich binnen de reactor een ongeluk voordoet, bijvoorbeeld als de koeling uitvalt en splijtstofstaven beginnen open te barsten.

In de splijtstof ontstaan van lieverlee veel gasvormige radioactieve afvalproducten. Bij het ongeluk in Harrisburg (Three Mile Island) heeft de containment redelijk gewerkt.

In principe kan de koepel ook veel geweld opvangen dat van buiten komt. Te denken valt aan tornado's en het effect van explosies in de directe omgeving van de reactor, zoals dat van een ontbrandende LPG-tankwagen. Zelfs de klap van een neerstortend niet te zwaar vliegtuig, zo is altijd opgegeven, zou de koepel kunnen opvangen. Maar inmiddels is expliciet toegegeven dat in het ontwerp geen rekening is gehouden met welbewuste aanvallen met zware, volgetankte verkeersvliegtuigen.

Wat de omgeving van een reactor te wachten staat als een groot vliegtuig de koepel doorbreekt is niet helemaal duidelijk. Aannemelijk is dat de koeling uitvalt en dat het koelwater binnen enige seconden, misschien zelfs explosief overgaat in stoom. Een deel van de splijtstofstaven kan daarna onder invloed van de snel oplopende temperatuur openbarsten en zijn inhoud als gas of vaste deeltjes (rook) vrijgeven. Door de bijkomende kerosinebrand zal het materiaal hoog de lucht in worden gebracht en de omgeving op grote afstand kunnen vervuilen.

Te bedenken valt dat zo'n wolk al bij een matige wind binnen een etmaal honderden kilometers ver is. De radioactieve fallout, die vooral hevig zal zijn op plaatsen waar regen valt, kan op zeer onvoorspelbare plaatsen terecht komen. Doorslaggevend voor het verloop van het ongeluk is of in de gedeeltelijk opengebarsten, mogelijk zelfs gesmolten splijtstofstaven nog veel kernsplijtingen blijven bestaan. Als alle water verdwenen is lijkt de kans daarop niet zo groot.

Een belangrijk gegeven is dat Amerikaanse reactoren geen grafiet bevatten, zoals wel het geval is met de Russische RBMK-reactoren (type Tsjernobyl) en met de vele Britse gasgekoelde reactoren. De grote hoeveelheid grafiet, in feite zuiver koolstof, zou zowel de splijtingen als de brand kunnen onderhouden.

Anderzijds zijn Amerikaanse kerncentrales weer extra kwetsbaar doordat zij al sinds de regeringsperiode van president Jimmy Carter (1977) hun opgebrande splijtstofstaven op eigen terrein in koelwaterbassins opslaan. Vaak is dat buiten de bescherming van de koepel.