Vernieuwing en verleiding uit Spanje

De meeste West-Europese landen hebben de afgelopen anderhalve eeuw een periode gehad waarin hun kunst de toon van de avant-garde aangaf. Zo'n tijd waarin iedere zelfkleier uit dat land ineens interessant was, de kunstenaars er collectief op wolken liepen en menig buitenlander emigratie overwoog om zich ook in die inspirerende zon te koesteren. Frankrijk had het met de impressionisten en de surrealisten, Duitsland met het Bauhaus, Engeland onlangs nog met de Young British Artists.

Een van de weinigen landen die nooit zo'n beweging had is Spanje, maar daar heeft het Spaanse artistieke bewustzijn niet onder geleden. Met Picasso en Gris had Spanje tenslotte twee van de grondleggers van het kubisme, en door Dalí en Miró leek het surrealisme eigenlijk wel onder de Sagrada Familia thuis te horen.

Zulk landjepik lijkt van een afstand nogal marginaal, maar het kan van grote invloed zijn op een cultuur. Dat wordt weer bewezen op de expositie Van Picasso tot Tápies in het Gemeentemuseum Den Haag. De expositie geeft een overzicht van de Spaanse kunst in de twintigste eeuw aan de hand van werken uit het Madrileense Reina Sofía, maar het zwaartepunt ligt daarbij als vanzelfsprekend op de eerste decennia. Dat waren de jaren van de Spaanse `grote vier', en in hun schaduw bloeiden de kunsten weelderig.

Het goede aan Van Picasso tot Tápies is dat die breedte ruimhartig wordt getoond, zo ruimhartig zelfs dat de `sterren' er af en toe wat karig vanaf komen. Op de tentoonstelling hangt Dalí er mooi veelzijdig bij met onder andere twee vroege kubistische werken. De jonggestorven Gris is wat karig en Miró wordt gered door zijn fantastische Spaanse vlag (1925) waarop zijn precies-kriebelige figuren zweven over een loomwolkende blauwe ondergrond.

Zoals altijd is Picasso weer een geval apart. Bij hem ligt de nadruk op een aantal schetsen voor zijn klassieker Guernica, in het bijzonder een huilende kop in zeker vijf gedaanten. Toch lijken die er vooral te hangen als rechtvaardiging voor de levensgrote, van achter aangelichte kopie van dat schilderij in dezelfde zaal. Als documentatie mag dat nog net begrijpelijk zijn, maar dit geval is zo groot en zo licht dat-ie lonkt als een vliegenlamp. En dat leidt maar af van waar het werkelijk om gaat.

Picasso's Stilleven: de dode vogels (1912) bijvoorbeeld, in de eerste zaal. Het doek meet maar 46 bij 65 centimeter en is tamelijk donker, maar wie er eenmaal voor staat ziet een meesterwerk: vernieuwing en verleiding, optisch bedrog en duizelingwekkende vergezichten komen hier bij elkaar tot een hoogtepunt van kubisme. Met zulke schilderijen in huis heb je geen aangelichte posters meer nodig.

De grote charme van Van Picasso tot Tápies is dat de samenstellers ook een blik geven op de artistieke omgeving die in de schauw van zo'n kunstenaar, van zulke schilderijen moest werken. Bedrukt heeft het ze duidelijk niet, schilders als Godofredo Ortega Muñoz, Oscar Domínguez en Fransisco Bores. In het buitenland zijn ze nauwelijks bekend, maar hun droge, donkere maar toch speelse werk past prachtig in de lijn van ontwikkeling van de twee naamgevers van de tentoonstelling.

Dat geldt nog meer voor de landschappen van Benjamin Palencia. Zijn schrale doeken, met droge verf die de stoffige aarde lijkt

te willen namaken, moeten juist voor veel schraal-schilderende Nederlanders verrassend actueel lijken.

Dat kun je niet bepaald zeggen van het werk van Antoni Tápies, op de expositie even prominent aanwezig als de `grote vier'. Dat is begrijpelijk, want Tápies is een held in Spanje. Maar ook een held bij gebrek aan beter: Tápies moest Spanje in de jaren zestig en zeventig opstuwen in dezelfde vaart der volkeren als Picasso, Dalí en Miró daarvoor hadden gedaan. Als grondlegger van de materieschilderkunst had Tápies daarvoor ook goede papieren.

Maar als je zijn werk nu weer ziet, vraag je je af wat voor heil ze in Spanje toch van hem verwachtten. Het smeren van aarde en zand op doek was ooit interessant, een nuttig avant-gardistisch breekijzer. Nu, veertig jaar later valt vooral op hoe loodzwaar, humorloos en beperkt dit werk is.

Tápies is een typisch geval, zoals blijkt uit deze schilderijen van een avant-gardist bij wie het avant-gardisme geen bevrijding is. Ga eerst naar Picasso's Dode Vogels, kijk dan naar zo'n verdroogd landschap van Palencia en loop dan door naar de Tápies-zaal. Achtereenvolgens zie je wervelende creativiteit, sobere concentratie en dogmatisch avant-gardisme – Tápies af door een zijdeur. Het feit dat de toeschouwer zulke vergelijkingen nu zelf in Den Haag kan maken, maakt deze tentoonstelling tot een genoegen.

Tentoonstelling: Van Picasso tot Tápies, Hoogtepunten van de Spaanse kunst uit de twintigste eeuw. Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, Den Haag. T/m 17 februari. Di t/m zo 11-17u. Inl. www.gemeentemuseum.nl