Soedanese weesjongens vinden een thuis in VS

Ruim 3.000 jonge Soedanese vluchtelingen krijgen in Amerika een nieuwe kans. De cultuurschok is groot.

,,Zwemmen er krokodillen in Lake Michigan?'

,,Is er in Amerika genoeg te eten?'

,,Slaan Amerikaanse onderwijzers met een rietje of de vlakke hand?'

Dat soort vragen stelden ze voordat ze vertrokken.

En toen ze er eenmaal waren, kende hun verwondering geen grenzen.

Vrouwen droegen broeken.

Vrouwen rookten.

In de kippenbouillon zat geen flintertje vlees.

Sneeuw noemden ze ,,witte modder'.

En waarom zagen ze in supermarkten bergen vlees, maar nergens koeien, nergens geiten?

Waarom bespoten de Amerikanen niet alleen hun lijven maar ook hun huizen met al die vreemde geurtjes?

Waarom waren er zoveel daklozen in dit land van overvloed?

Het afgelopen jaar zijn ruim 3.300 Soedanese wezen uit het vluchtelingenkamp Kakuma in Noord-Kenia overgebracht naar de Verenigde Staten. Het eerst kwamen de 500 minderjarigen die in november en december vorig jaar bij pleegouders ondergebracht werden. Daarna volgde de rest in groepjes die over 44 steden werden verspreid. De komst van de laatste honderd is vertraagd door de aanvallen op de VS van 11 september. Anders was de grootste opname van ouderloze vluchtelingen uit de geschiedenis al voltooid.

Ze hebben een lange reis achter de rug, de `Lost Boys' zoals ze door de Amerikaanse media werden gedoopt naar de wonderbaarlijke weeskinderen uit Peter Pan van J.M. Barrie. Veertien jaar geleden ontvluchtten ze de burgeroorlog in Soedan nadat het regeringsleger aan een opmars begon. Velen zagen hun dorpen branden en hun ouders sterven. Leden van het Soedanees Volksbevrijdingsleger leidden de kinderkaravaan te voet naar het buurland Ethiopië.

Vier jaar bleven ze in een vluchtelingenkamp. Totdat hun Ethiopische beschermheer Mengistu Haile Mariam in 1991 werd verdreven en ook zij op de loop moesten gaan. Op de barre terugtocht naar Zuid-Soedan kwam zeker een derde van de 25.000 kinderen om het leven: door honger, verdrinking, uitputting, ziektes, wilde dieren of kogels van het Ethiopische leger. Toen ze in Zuid-Soedan door de luchtmacht werden bestookt, trokken ze verder. Tussen mei en juni 1992 arriveerden 12.000 kinderen in het Keniaanse Kakuma.

Al die jaren hadden ze voor elkaar gezorgd en daar gingen ze in Kakuma mee verder. Ze vormden dorpen waarvan de hutten in het kamp makkelijk waren te herkennen aan de glinsterende daken van platgeslagen voedselblikken. Steun zochten ze bij god en in scholing. Onderwijs noemden ze ,,mijn vader en moeder'.

Onderzoekers verbaasden zich over hun zachtaardigheid en over hun ongeschonden optimisme. Dat blinde vertrouwen in betere tijden onderscheidt de overlevingskunstenaars volgens de Italiaanse schrijver Primo Levi van hen die tenonder gaan. [Vervolg LOST BOYS: pagina 6]

LOST BOYS

'Eerst was ik in het donker en nu in het licht'

[Vervolg van pagina 1] In 1999 sloten de VS en de vluchtelingenorganisatie van de VN een akkoord over de emigratie van de Soedanese wezen, ten minste voor het deel dat nog over was.

Sommigen waren teruggekeerd naar hun land om te vechten met de rebellen. Anderen waren opgenomen door familie. Enkelen beproefden hun geluk als illegaal in Kenia.

UNHCR, de VN-vluchtelingenorganisatie, is eigenlijk tegen de emigratie van minderjarige vluchtelingen. Ze vindt dat die thuishoren bij hun ouders of familie en moeten terugkeren naar hun land. Maar in het geval van de `Lost Boys' die inmiddels in leeftijd variëren tussen de 9 en 28 jaar, bestond daarop geen uitzicht. In Kakuma waren ze veroordeeld tot een levenlang kamp en een leven in afhankelijkheid, zoals vorig jaar december in het magazine M werd beschreven. Het onderwijs waaraan ze voorlopig nog hun hoop ontleenden, zouden ze in het kamp nooit ten nutte kunnen maken. Met de verhuizing naar de VS kregen ze de kans een leven op te pakken dat al die jaren op de pauzeknop had gestaan.

Ze zien eruit als het beeld The Walker van Alberto Giacometti dat in de National Gallery van Washington staat: uitzonderlijk lang en rank en tanig zoals past bij Soedanezen van de Dinka-stam. Het is al halverwege de ochtend maar ze liggen nog in bed en de gordijnen in hun appartement blijven gesloten, ook als het bezoek al lang en breed zit. Alsof ze de nieuwe wereld nog even willen buitensluiten. Buitenshuis zullen ze zich zonder begeleiding niet gauw wagen. Zoveel auto's. Zoveel huizen. Nooit eerder zijn ze in een stad geweest.

Simon, Abraham, Gabriël en Peter, met zijn vieren zijn ze pas enkele weken geleden in Grand Rapids gearriveerd. Ze geven nog eens een ruk aan de thermostaat die al 23 graden aanwees. Ze hullen zich laag voor laag voor laag in de zeer uiteenlopende kledingstukken die ze van liefdadigheidsorganisaties toebedeeld kregen. Hun woorden in een ouderwets school-Engels vloeien al even traag als hun bewegingen.

Voor hun vertrek hebben ze culturele oriëntatieles gehad. Ze leerden hoe ze in Amerika het centrale alarmnummer moesten bellen, hoe ze in het vliegtuig hun veiligheidsriemen moesten omdoen en wat de nationale feestdagen zijn in de VS. Maar niets had hen op deze cultuurshock kunnen voorbereiden. Vrijwilligers demonstreren hun een tandenborstel, de wc met spoeling, de kraan met warm en koud water, het gasvuur, de magnetron, de ijskast. De 22-jarige Peter Bol Dau laat trots zien dat hij al kan stofzuigen.

,,Eerst was ik in het duister en nu in het licht', zegt de 19-jarige Gabriël Thon Moses. Ze hebben hier drie keer daags te eten, en niet eenmaal per dag zoals in het kamp, of helemaal niet. Ze hoeven niet op de grond te slapen of honderden meters verderop hun water te halen. Er sluipen geen schorpioenen en er heerst ook geen malaria. En belangrijkste is dat ze hier onderwijs kunnen olgen ,,op echte, goede scholen.' ,,We zijn zo blij.' Gabriël herhaalt dat mantra vele keren. Maar zijn ogen staan vol schrik.

De 24-jarige Deng Ngor Deng is al meer dan vier maanden in de Verenigde Staten. Hij draagt een Bob Marley-t-shirt, betaalt zijn rekeningen met een bankpas en spreekt met een Amerikaans accent. 's Ochtends gaat hij naar school en daarna werkt hij in een assemblagebedrijf voor auto-onderdelen.

Om daar klokslag twee uur te kunnen beginnen, moet hij exact om een uur per mountainbike van huis vertrekken, vertelt hij met een demonstratieve blik op zijn polshorloge. ,,Zo leeg als mijn bestaan in het kamp was, zo vol zijn nu mijn dagen.' Maar dat deert hem niet, zegt Deng. ,,Want ik ben nog jong. En dit is het moment mijn kans te grijpen.' Hij spaart voor een Ford Taunus zoals zijn vriend William al rijdt.

Meerderjarige vluchtelingen krijgen vier tot zes maanden geld en begeleiding van de Amerikaanse autoriteiten. Dan moeten ze op eigen benen staan. Dat lukt de Soedanezen wonderwel. De Keniaanse maatschappelijk werker Frederick Ombongi van Catholic Human Development Outreach in Grand Rapids heeft 63 jongens onder zijn hoede.

Op acht na hebben die allemaal ongeschoold werk. Allemaal gaan ze ook nog naar school toe, 25 naar de universiteit. Fredericks baas, directeur Carol Russo, noemt de inzet, de motivatie en de prestaties van de jongens ,,verbijsterend'. ,,Als ze wat vaker schone sokken aantrokken, zouden het modelburgers zijn.'

Dat betekent niet dat de integratie probleemloos verloopt. Aan het Amerikaanse voedsel zullen ze nooit wennen, zeggen de jongens. ,,Want het brood smaakt niet naar brood, en het vlees niet naar vlees.' Ook ontkomen ze niet aan de teleurstellingen en neerslachtigheid die wel moesten volgen op de euforie van de verhuizing. Het valt hun tegen dat ze in het Amerikaanse schoolsysteem vaak lager worden ingeschaald dan ze hadden verwacht. En ze schamen zich voor het ,,onbeschofte gedrag' van hun medestudenten die de leraar zomaar tegenspreken. Een minderheid klaagt over slaapproblemen en wordt 's nachts door herinneringen aan schietpartijen en slachtingen achtervolgd.

Al zijn ze nog geen jaar in de VS, ze kleden zich als Amerikanen en zo gedragen ze zich ook. ,,Have a nice day', zeggen ze als afscheid. Maar ze denken nog Afrikaans. Meisjes durven ze niet te benaderen en als meisjes op hen afkomen, rennen ze onmiddellijk weg. ,,Want dat moeten wel slechte vrouwen zijn'. Laatst was een meisje op een schoolfeest heel dicht en verleidelijk bij een van de jongens gaan dansen. Zo beschamend. Hij gaat nooit meer naar een feest.

Deng Ngor Deng weet best dat vrouwen in de Verenigde Staten ook het initiatief mogen nemen, dat ze zelfs dezelfde rechten hebben als mannen. Daar doet hij ook niet moeilijk over. ,,Dat is Amerikaanse cultuur. Maar ik heb daarmee niks te maken. Een eerbare vrouw hoort zich schuchter te gedragen. Ik heb mijn eigen cultuur.'

Dit is het eerste deel van een tweeluik.