Progressief fotograaf

,,Fotografie is niet zwart-wit maar wit-zwart. Doe je niks dan blijft alles zwart. Pas als je op de sluiterknop drukt gebeurt er iets. Dan teken je met wit.'' Deze uitspraak uit 1987 is tekenend voor de fotograaf Aart Klein, die afgelopen nacht op 92-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleed.

`Wit op zwart' roept direct het beeld op van de foto's die zijn handelsmerk werden: van het oorlogskerkhof bij Margraten (1960) en van de bouwvakkers tussen de steigers bij de bouw van het Philips hoofdkantoor in Eindhoven (1961) bijvoorbeeld foto's met niet of nauwelijks grijstinten. Zelf was Klein nooit zo gelukkig met zijn reputatie. Zoveel was er nou ook weer niet voor nodig om een zwart-wit foto grafisch te maken, vond hij. Ook die bescheidenheid typeerde de fotograaf, die in 1982 voor zijn werk de Capilux Alblas-prijs ontving en in 1996 de oeuvre-prijs van het Fonds voor beeldende kunsten, bouwkunst en vormgeving.

Klein, zoon van een Amsterdamse scheepstimmerman, had het liefst architect willen worden, maar zag zich door crisisjaren en geldgebrek gedwongen een kantoorbaan te zoeken. Hij kwam terecht bij de fotoafdeling van Polygoon, waar hij in de praktijk het vak leerde.

In mei 1945 richtte hij samen met onder meer Maria Austria Particam (Partizanen Camera) op. Aanvankelijk bedoeld als `binnenlandse strijdkrachten fotogroep' voor het documenteren van bevrijding en wederopbouw, groeide Particam uit tot een fotobureau dat zich dankzij een door Klein ontdekte manier om films zo te ontwikkelen dat er zonder flitslicht gefotografeerd kon worden vooral toelegde op het fotograferen van toneel- en theatervoorstellingen.

In 1956 begon Klein weer voor zichzelf en richtte zich voornamelijk op bedrijfsfotografie voor onder meer Philips, CSM, Van Houten, Akzo en Gasunie. In die jaren maakte hij de twee boeken die worden gerekend tot de hoogtepunten van zijn oeuvre: Delta, Poort van Europa (1963) en Delta, Stromenland in Beweging (1967).

Zijn foto's van kleine alledaagse gebeurtenissen, de uitvoering van de Deltawerken of van het geploeter op het boerenland, ademen net als het werk van generatiegenoten als Cas Oorthuys, Carel Blazer en Ad Windig de sterk optimistische wederopbouwsfeer van het naoorlogse Nederland. Maar anders dan zijn vakbroeders (en -zusters) wist Klein de door het heldere en zakelijke realisme van de progressieve Nieuwe Fotografie uit de jaren twintig gevoede optimistische stijl te combineren met de abstractie uit de moderne kunst van de jaren vijftig en zestig. Eerder dan het uiterlijk van zijn foto's maakte juist die combinatie Aart Klein tot een van de toonaangevende fotografen van de naoorlogse generatie.