Megawati is na 11 september koers kwijt

Morgen rapporteert Megawati Soekarnoputri aan het Volkscongres over de eerste honderd dagen van haar presidentschap. Bij haar aantreden leek ze koersvast, maar sinds 11 september moet ze compromissen sluiten.

Megawati Soekarnoputri was nog geen twee maanden president van Indonesië of de terreuraanval op het mondiale zakencentrum New York drukte de groeiprognoses en daarmee ook de koers van de roepia, die na haar aantreden flink was gestegen. Een week later kwam ze in Washington tot zaken met ambtgenoot Bush: de VS zouden de Indonesische economie uit het slop helpen in ruil voor steun aan de `oorlog tegen het terrorisme'. Wat leek op een goede deal leverde haar thuis het verwijt op dat ze de vanouds ongebonden koers van Indonesië had verlaten.

Toen de VS op 7 oktober in de tegenaanval gingen, toonde Jakarta zich ,,diep bezorgd'' en verzocht het de Amerikanen maat te houden en onschuldige Afghanen te sparen. De grote moslimgemeenschap vond dat standpunt veel te mild en drong aan op een veroordeling van de bombardementen. Een kleine, maar luidruchtige minderheid eiste een breuk met de VS en dreigde met geweld tegen Amerikaanse burgers. Megawati, nog steeds op reis, aarzelde. Het duurde een week voordat de politie optrad tegen agressieve betogers voor de Amerikaanse ambassade en toen was het kwaad al geschied.

Washington bracht een negatief reisadvies uit voor Indonesië en beval een deel van de diplomatieke staf het land te verlaten. De militanten blaften alleen en beten niet, maar honderden Westerse `expats' pakten hun koffers en de roepia zakte van 8.500 naar 10.000 tegen de dollar.

Het begon zo goed. Megawati formeerde begin augustus een regeerploeg die alom de handen op elkaar kreeg. De economische portefeuilles gingen naar bekwame technocraten; binnenlandse zaken en veiligheid naar gepensioneerde generaals en de posten zonder portefeuille werden verdeeld onder de politieke partijen. Een conservatieve aanpak, die niettemin vertrouwen wekte bij `de markt' en de `politieke elite' tevreden stelde. Megawati herstelde de onder haar voorganger Wahid verstoorde relatie met het Internationale Monetaire Fonds en het IMF hervatte de broodnodige kredietverlening.

Stad en wereld waren ingenomen met Megawati's eerste beleidsdaden. Het rebelse Atjeh kreeg bijzondere autonomie. De begroting voor 2002 was prudent. In haar rede voor Onafhankelijkheidsdag zette ze wetshandhaving en corruptiebestrijding hoog op de agenda. Ze waarschuwde haar familie – lees: echtgenoot en zakenman Taufik Kiemas – openlijk voor misbruik van haar positie. Het onder Wahid zwalkende schip van staat leek weer op koers te liggen, maar op 11 september stak een storm op.

Dat de onrust in de islamitische wereld aan de grootste moslimnatie niet ongemerkt voorbij zou gaan, lag voor de hand, maar de jongste turbulentie in Indonesië is niet louter een kwestie van solidariteit met geloofsgenoten. Megawati dankt het hoogste ambt aan een arrangement tussen seculiere en islamitische partijen, die elkaar vonden in hun afkeer van Wahid. De leider van de grootste moslimfractie in het parlement, Hamzah Haz, verzette zich in 1999 nog tegen een vrouwelijk staatshoofd, maar werd in juli gepaaid met de post van vice-president.

Het arrangement bood de partijen een bevredigende uitgangspositie voor de verkiezingen van 2004, maar de verleiding om daar nu al een voorschot op te nemen is groot. Haz wijkt met anti-Amerikaanse teksten af van de officiële lijn – loyale distantie tot de VS – en denkt zo te scoren bij verontruste moslims. Niet alle betogers ageren dezer dagen uit geloofsijver. Het militante Front ter Verdediging van de Islam (FPI) geniet protectie van lieden die onder oud-president Soeharto aan de touwtjes trokken. Het FPI mobiliseerde zijn voetvolk van stedelijke werklozen sinds Soeharto's val tegen hervormingsgezinde studenten, uitbaters van uitgaansgelegenheden, de liberale moslim Wahid en de vrouw Megawati.

Megawati's regering is voor steun tegen deze prikacties aangewezen op het seculiere Golkar, ooit het politieke vehikel van Soeharto, dat zich in 1998 bekeerde tot de democratie. In 1999 werd Golkar met 20 procent van de stemmen tweede na Megawati's nationalistische PDI-P. Begin oktober kwam aan het licht dat Golkarleider Akbar Tandjung in maart 1999 op last van de toenmalige president (en partijgenoot van Tandjung) B.J. Habibie een onoorbare schenking van 10 miljoen gulden kreeg uit de pot van Bulog, het openbare lichaam voor distributie van basisvoedsel. Volgens Tandjung, destijds minister, was dit geld bestemd voor de armen, maar volgens de meeste anderen diende het om Golkar aan een verkiezingsoverwinning te helpen. Het openbaar ministerie stelt een onderzoek in en Tandjung, inmiddels parlementsvoorzitter, wordt vandaag gehoord; voorlopig als 'getuige'.

Vijftig volksvertegenwoordigers - het wettelijke minimum - willen een parlementaire enquête naar deze zaak. Zij hebben geen vertrouwen in het OM, want dat is een bolwerk van oudgedienden uit de Soehartotijd. Onder deze vijftig zijn partijgenoten van Megawati. Tandjung sprak vorige week met Megawati's echtgenoot, PDI-P-parlementariër Taufik Kiemas, om hem ervan te doordringen dat de stabiliteit van de regering niet gediend is met een enquête. Megawati moet rekening houden met andere spelers in de politieke arena en met compromissen maakt men geen schoon schip.