Malloot

Het zijn goede tijden voor het woord malloot. Niet dat dit woord echt slechte tijden heeft gekend, daarvoor zijn er waarschijnlijk te veel malloten op de wereld. Het heeft wel concurrenten (een synoniemenwoordenboek noemt onder andere dwaas, gek, halve gare, halve zool, idioot, imbeciel, lijpo, mafkees, mafketel, rare en zot) maar malloot is fijner. Het ligt lekker in de mond. Plat, maar niet te. Prettig om te zeggen én te schrijven. Malloot.

Dat het nu even éxtra goed gaat met malloot is te danken aan minister De Vries van Binnenlandse Zaken. Twee weken terug zei De Vries in de Kamer, toen daar werd gesproken over mensen die voor de grap `poederbrieven' versturen: ,,Die pesterijen en acties van malloten kunnen we niet over onze kant laten gaan.''

Dat is ook zo fijn aan malloot: dat het net zo goed door een schooljongen als door een minister kan worden gebruikt.

Malloot heeft van nature niet de neiging het met andere woorden aan te leggen. In de digitale krantenleggers van de afgelopen tien jaar waren dan ook maar een paar samenstellingen te vinden, en daarbij ging het steeds om gelegenheidswoorden, zoals `Oranjemalloot', `marketingmalloot', `milieumalloot' en het fraaie `rasmalloot'.

De uitspraak van De Vries heeft tot een nieuwe gelegenheidssamenstelling geleid, namelijk poederpostmalloot. Die was de afgelopen dagen geregeld te horen en te lezen. Vooral Trouw lijkt het woord te hebben omarmd. In dit dagblad verschenen kort na elkaar koppen als ,,Poederpost-malloot wordt hard aangepakt'', ,,Snelrecht voor poederpost-malloot'' en ,,Rechter veroordeelt eerste poedermalloot''.

Bij de poederpostmalloten gaat het voornamelijk om mannen, maar eeuwenlang is malloot alleen gebruikt voor vrouwen. Het woord dateert uit de eerste helft van de zestiende eeuw, en had volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal twee betekenissen: `een al te druk meisje, niet ingetogen, soms manziek' en `een niet juist altijd jong vrouwspersoon, die zich mal gedraagt, hetzij door drukte, overdrevenheid, onnoozelheid'. Het woordenboek schreef dit in 1904, met als kanttekening: `op mannen wordt malloot eigenlijk niet toegepast'. Het woordenboek merkte verder nog op dat in de spreektaal mallotig en malloterig veel werden gebruikt voor `mal', `idioot'. Kennelijk hebben vooral die afleidingen er in de loop van de 20ste eeuw toe geleid dat malloot een sekseloos woord is geworden: goed voor man en vrouw. En dan vooral voor mannen en vrouwen die mal zijn, zich mal gedragen of zich aanstellen.

De herkomst van malloot heeft tot enige kopzorgen geleid. Heel lang is men er klakkeloos van uitgegaan dat malloot was ontstaan uit mal `dwaas' en hoot, een dialectvorm van `hoofd'. Al in 1720 schreef Carolus Tuinman in zijn befaamde spreekwoordenboek: ,,Malloot is verbakken van mal-hoot, voor mal-hooft, gelijk de Brabanders hoot voor hooft spreeken. Op die wijze zegt men een slechthoofd, een schaapshoofd, een kiekenshoofd enz. De Zeeuwen noemen zulk een malloot ook een kayoot, dat is een kai hoot, in wiens hoofd de kei leutert.''

Een hoofd waarin de kei leutert – je zou willen dat het waar was, maar het zit anders. In 1897 opperde de taalkundige A. Kluyver voor het eerst de mogelijkheid dat malloot is afgeleid van een Frans woord. Inmiddels gaat men ervan uit dat dit klopt en dat het moet gaan om het Oud-Franse mâlot of mâlaud in de betekenis `wild, jongensachtig meisje' of om het Noord-Franse dialectwoord malot in de betekenis `soort wesp of hommel'. Zeker is dat dit Franse malot bij ons is geassocieerd met mal `dwaas'. En zeker is ook dat het een lange weg is van een `wild, jongensachtig meisje' of `soort wesp of hommel' naar de hedendaagse poederpostmalloot. Maar zo gaat dat soms met woorden die een lange adem hebben.