Kosovo als model

Het zorgwekkendste nieuws kwam het afgelopen weekeinde uit Washington. De Amerikaanse deskundigen zijn `verrast' over de bekwaamheid waarmee de strijdkrachten van de Talibaan zich verspreiden, hergroeperen en hun troepen en materieel verbergen terwijl ze zich voorbereiden op de Amerikaanse aanval. Tough warriors, constateerde vice-admiraal Stufflebeem, plaatsvervangend bevelhebber van de operaties in uitvoering. Minister van Defensie Rumsfeld twijfelde eraan of Osama bin Laden ooit gevangen zou worden. Later, op de officiële persconferentie, redresseerde hij zich: ,,We zijn vast van plan hem te vinden, al is hij dan als een speld in een hooiberg.'' Zorgwekkend is het, dat de hoogste deskundigen verrast zijn. Zo is ook het Rode Leger in Afghanistan verrast geweest. En recent nog heeft het opperbevel van de NAVO zich verbaasd toen na een week bombarderen in Joegoslavië de Serviërs zich niet overgaven. De krijgsgeschiedenis is vol historische verrassingen, vooral in Afghanistan.

Te oordelen naar wat de afgelopen weken is gebeurd, heeft voorlopig de oorlog om Kosovo voor de acties model gestaan. Eerst van grote hoogte bombarderen, de luchtafweer uitschakelen en dan de tegenstander verder onophoudelijk bestoken tot hij het opgeeft. Zo spaart men het leven van de eigen soldaten, zo wordt de gevreesde grondoorlog vermeden. Maar Afghanistan is geen Servië, en Osama bin Laden geen Miloševic. Om de vergelijking met de oorlog van twee jaar geleden door te trekken: toen, na een maand of twee, raakte de NAVO in verlegenheid door de keuze van de doelen die steeds minder militair werden, terwijl de collateral damage toenam, de aandrang tot het inzetten van grondtroepen groter werd, en de publieke opinie aan twijfel ten prooi viel. De duur van de oorlog werd voor de NAVO tot een probleem op zichzelf. Toch was Kosovo verhoudingsgewijs een overzichtelijk en vooral een begrensd probleem.

President Bush heeft ons een lange oorlog in het vooruitzicht gesteld. Misschien heeft hij gelijk, maar daarmee is het Westen nog niet op het komende voorbereid. De duur zou van minder zorg zijn als we ongeveer wisten wat we daarbij konden verwachten. Het ontbreekt aan een grand design, het omvattende plan waarin de militaire operaties zijn ingebed. Niet alleen wij weten het niet; uit het verloop van de gebeurtenissen sinds 11 september ontstaat de indruk dat de oorlogsleiders er evenmin een duidelijke voorstelling van hebben.

Special forces hebben voorzichtig voet op Afghaanse bodem gezet. De inleiding tot de grondoorlog? Dan moet die tot snelle successen leiden, omdat anders het schrikbeeld van de Sovjet-ervaring tussen 1979 en 1989 opdoemt (de nederlaag, met 15.000 doden en tienduizenden gewonden). En de herinnering aan Vietnam herleeft. Zal Bin Laden worden gearresteerd? Het is de vraag of dat als een succes moet worden beschouwd. Het proces zou een wereldgebeurtenis zijn die misschien eerder verdere escalatie dan kalmering zou veroorzaken. Zullen de Talibaan worden verslagen, zodat volgens de plannen een nieuw bewind in Kabul kan worden `geïnstalleerd'? Niet ondenkbaar is het, dat dit regime dan als een marionettenregering wordt beschouwd, waarna de strijd tussen stammen en etnische groeperingen onverminderd verder gaat, maar nu met Amerikaanse betrokkenheid. Is de Amerikaanse economie – motor van de gemondialiseerde economie – tegen dit alles opgewassen? Of wordt het hele Westen bij een langdurige oorlog meegetrokken in een voortwoekerend defaitisme?

In deze oorlog is de publieke opinie een van de wankelste onder de wankele grootheden. Naarmate de strijd langer duurt terwijl successen uitblijven, zal het Westen zijn aangetaste zelfvertrouwen verder zien verschrompelen. De eenheid door de woede over de elfde september maakt plaats voor een chaos van conflicten in het eigen kamp – zoals dat nu eenmaal de verliezende partij overkomt. En aan de andere kant neemt het optimisme toe. Niets heeft meer succes dan succes. En daaruit groeit dan onvermijdelijk de escalatie in wederzijdse verbittering.

Dat zijn de sombere vooruitzichten die voortvloeien uit de negatieve samenloop van omstandigheden zoals we die nu sinds een week of zeven ervaren. Daarbij komt dan nog dat het Palestijnse conflict verder dan ooit van een oplossing verwijderd is, niet het minst doordat premier Sharon veronderstelt dat hij terzijde van het mondiale conflict zijn eigen oorlog voert. Hij denkt nu kennelijk dat de oplossing ligt in het verwoesten van hele stadsdistricten en misschien – volgens vigerende denkbeelden – gedeeltelijke volksverhuizingen. Hij mag dan Yasser Arafat als de grootste vijand beschouwen, maar die blijft daar de enige gesprekspartner. Arafat is binnen de grenzen van dit vraagstuk de gematigde. Wordt hij in een onmogelijke positie gebracht of vermoord, dan kan het niet lang duren voor er in zijn plaats een radicaal verschijnt, iemand uit de Hamas bijvoorbeeld, door wie we nog heimwee naar Arafat zullen krijgen.

Tenslotte is er de terreur per post. Het is niet meer uitgesloten dat de absurdste veronderstelling de juiste kan zijn: dat de brieven afkomstig zijn van rechtse extremistenclubs in eigen land, terroristen van het type Timothy McVeigh. Zo worden de Amerikanen op alle denkbare manieren op proef gesteld: door de verwoestingen van 11 september, de ongrijpbaarheid van de vijand, het onzekere vervolg van een oorlog die er vervaarlijk uitziet maar zonder resultaten blijft, de bedreiging van hun economie, de mogelijkheid van misdadige krankzinnigen binnen de eigen grenzen. Dit alles wordt bekroond door een leiderschap dat aan woorden geen gebrek heeft, behalve de overtuigende. Een staatsman groeit onder zijn verantwoordelijkheid, of krimpt. Die van ons zien we op het ogenblik krimpen.