Twee Krabbé's

Een van de redenen dat Alfred Hitchcock een groot filmmaker was, was dat hij zich niet liet ringeloren door zijn plots. Die stelden meestal niet veel voor.

Iets met spionnen. Cary Grant en die blonde vrouw zijn voor elkaar bestemd, maar ze denken van elkaar dat ze spionnen zijn en ze worden achterna gezeten door de echte spionnen, omdat er een of ander geheim is. Zo ongeveer is een typische Hitchcock-plot.

Wat je je veel nauwkeuriger herinnert zijn de beelden. Het sproeivliegtuigje, de koppen van de Amerikaanse presidenten op Mount Rushmore, een oplichtend glas melk, een hand die opeens in beeld komt of een schaduw. De kleur groen in Vertigo, als de doodgewaande Kim Novak weer op komt dagen.

Dialoog, zei Hitchcock, is niet meer dan een geluid dat mensen maken, een geluid zoals er andere zijn, zoals het ruisen van een fontein of het remmen van een auto. Dialoog is er niet om het publiek uit te leggen hoe het verhaal zich ontwikkelt. Een blik, een hand die verkrampt, een voet die wegschuift, dat is in een dialoog veelzeggender dan de woorden, zo hoort het in ieder geval volgens Hitchcock. Hij dacht dat de meeste Amerikaanse regisseurs geen verhaal meer zouden kunnen vertellen als de stomme film weer zou worden ingevoerd, maar voor hem gold dat niet.

Het lijkt misschien alsof ik hem dagelijks op bezoek had toen hij nog leefde, maar hij vertelde het aan zijn collega François Truffaut, die de gesprekken optekende in een dik en mooi boek, Hitchcock by Truffaut.

Een andere plot. Een papegaai moet door vijandelijk gebied geloodst worden, omdat in het deuntje dat het dier fluit een boodschap verborgen zit die van onschatbaar belang is voor de Britse geheime dienst. Nou ja, het was geen papegaai die het deuntje kende, maar een oud dametje in The Lady Vanishes, maar raar blijft het. In het soort films dat hij zijn `fantasies' noemde, mocht volgens Hitchcock `plausibelheid zijn lelijke kopje niet opsteken.'

Dat deuntje was een voorbeeld van wat hij de MacGuffin noemde. Iets waar het verhaal om draait en dat voor de personages heel belangrijk is, maar in feite onzinnig en totaal onbelangrijk voor de verteller. In een andere film heet de MacGuffin voor het gemak gewoon `regeringsgeheimen', nietszeggend en daardoor volmaakt geschikt.

In het boek De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch zijn de Stenen Tafelen de MacGuffin. In zekere zin draait het hele verhaal er om. De engelen arrangeren twee wereldoorlogen, een paar individuele moorden en fatale ongelukken en een meteorietinslag, om het zo ver te krijgen dat een jongen de Stenen Tafelen vindt en terugbrengt naar de hemel, waardoor het verbond tussen God en het godvergeten menselijk geslacht wordt opgezegd.

Het is natuurlijk een volstrekt onzinnige plot, daar is het een MacGuffin voor. In het boek geeft dat niet. De plot brengt het verhaal aan de gang, maar het verhaal gaat over heel andere dingen, bijvoorbeeld over de verhouding tussen het Donnerpersonage en het Mulischpersonage.

Het boek heeft 900 bladzijden, een film duurt hoogstens twee uur en daarin kan veel minder verteld worden. Een regisseur die De ontdekking van de hemel verfilmt, moet erg oppassen dat hij de MacGuffin van de Stenen Tafelen niet serieus gaat nemen, anders overwoekert die het verhaal.

Als ik Jeroen Krabbé in een praatshow zie, denk ik: wat zit die man toch interessant te doen, zijn film zal wel niks zijn. Nou, dat viel wonderwel mee. Stephen Fry als het Donnerpersonage was prachtig en voor de mensen die Donner gekend hebben was het soms griezelig om te zien hoeveel deze Fry op hem leek. Het was of Donner opgestaan was en zichzelf speelde.

Het schijnt dat Mulisch zelf Fry heeft aangewezen. Als hij ook de acteur die het Mulischpersonage speelt heeft aangewezen, dan heeft hij met de hem kenmerkende bescheidenheid een volstrekt oncharismatische acteur gekozen. Anders dan in het boek of in het echte leven wordt in deze film niet goed duidelijk wat `Donner' eigenlijk in `Mulisch' ziet. Verveelt hij zich niet met zo'n vriend?

Maar goed, waar het me hier om gaat is dat de filmmakers de plot van de Stenen Tafelen helaas wel serieus genomen hebben. Ze zijn te braaf geweest en daardoor hebben ze het zich ook te gemakkelijk gemaakt.

Het hele verhaal wordt netjes naverteld. Iedere scène staat in dienst van de plot en de dialogen, op een paar steroptredens van Fry na, hebben de functie om de kijker het verhaal uit te leggen. Zo anders dan bij Hitchcock, die er niet voor terugschrok om in een van zijn films de belangrijkste dialoog door vliegtuiglawaai geheel onverstaanbaar te maken.

Als de plot zo belangrijk wordt, gaat het ook storen dat de plot onzinnig is, heel anders dan in het boek.

Er was nog een Krabbé-film in de bioscopen, maar dan van Tim. De broers deden een wedstrijd, geloof ik. Tim Krabbé schreef zelf het scenario voor de film naar zijn boek De Grot en misschien kan het niet anders als een schrijver zijn eigen boek bewerkt, maar ook hij nam het boek en zijn plot te serieus.

Ook hier werd in de film de plot uit het boek getrouw naverteld. Als je het boek gelezen had, kon je bij iedere scène ook meteen zien welke functie die voor de plot vervulde en meer dan dat viel er vaak niet aan te zien. Ook hier was het zo dat de onwaarschijnlijkheid van de plot me in het boek volstrekt niet stoorde en in de film wel.

Het heeft voor een filmmaker voordelen om een bekend boek te verfilmen, al is het maar omdat je de subsidiegevers van tevoren iets kunt laten zien. Maar omdat in een film, als je tenminste geen Hitchcock bent, de plot al gauw veel belangrijker dreigt te worden dan in een boek, heeft het ook nadelen. Een filmmaker zou van een boek van 900 bladzijden er eigenlijk 890 moeten weggooien, om met de rest iets te doen. Naar de schrijver moet hij niet luisteren, zoals Kubrick toen hij Lolita verfilmde niet luisterde naar Nabokov. Nabokov vond dat niet prettig, maar hij begreep en respecteerde het.

Het zijn goede films, de twee Krabbé-films, maar voor beide geldt wat Hitchcock de geiten liet zeggen die in een vuilnisbak een filmrol hadden gevonden en die opaten: ,,Het boek was beter.''