Opinieleiders

Alle leden van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA, nu 45, moeten, elk op hun eigen terrein, functioneren als `opinieleiders'. Wie dat in de afgelopen jaren niet voldoende is gelukt, wie te weinig spraakmakend was (lees: wie te weinig sound bites produceert of anderszins niet genoeg opvalt en dus te weinig in de krant, voor de radio of op de tv komt) krijgt geen verkiesbare plaats op de kandidatenlijst voor de volgende verkiezingen. Afgelopen zaterdag, bij de presentatie van die PvdA-lijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen van volgend jaar, bleek dat onder meer het lot van buitenland-woordvoerder Valk.

Dat was de afgelopen jaren geen slecht Kamerlid, al was hij in de drukbezette en traditioneel drukbevochten buitenland-hoek wellicht wel eens te genuanceerd om genoeg op te vallen. Bijvoorbeeld op de eerste etage van het Kamergebouw, direct naast de vergaderzaal. Daar waar, na afloop van de `echte' maar vaak langdurige debatten, nog wat statements als hapklare brokken worden geserveerd aan wisselende groepen mediavertegenwoordigers. In een korte voorstelling, die enigszins aan Beursplein 5 doet denken, en waar ieder wat van zijn gading voor het hart van Nederland kan meenemen. De een voor zijn microfoon, de ander voor zijn camera, de derde voor zijn krant. Het zijn gevarieerde, puntige epilogen, die eraan bijdragen dat er van één en hetzelfde debat vaak heel uiteenlopende berichten komen. Wie zo wil ziet de pluriformiteit van de media dan bevestigd. Gewiekste leden van de Tweede Kamer, anderen dan, zeg, de heer Valk dus, weten uitstekend hoe dat werkt. Zij doen er bij de verdeling van bruikbare `quotes' hun voordeel mee. Nee, niet alleen de heren Rosenmöller en Marijnissen zijn hier bedoeld, al zijn die ook op dit stuk bepaald begaafd.

Terug weer naar de PvdA. Allemaal opinieleiders, die controleurs van het regeringsbeleid? Je moet er niet aan denken dat zij dat allemaal werkelijk zouden kunnen en willen. Je moet er nog minder aan denken dat alle leden van de Tweede Kamer hun werk met deze partijopdracht of deze ambitie zouden doen. Allemaal binnen de grenzen van hun verkiezingsprogramma, en ook eventueel binnen de grenzen van een regeerakkoord, en ook conform de partijkoers? Want daarvan zal de PvdA die opinieleiders toch niet willen laten afwijken? Een paar decennia geleden kwam het nog wel voor dat Kamerkandidaten in grote politieke partijen op bepaalde programmapunten ruimte kregen voor een eigen afwijkend standpunt, niet slechts als atoompacifist, en niettemin op een verkiesbare plaats werden gezet. Die tijd lijkt voorbij, de vrijheid van het huidige Kamerlid, en zeker van het huidige PvdA-Kamerlid, jegens de last van zijn partijprogramma is beperkter geworden. De gedachten gaan terug naar dat arme Kamerlid van D66 dat, in de aanloop naar de vorige verkiezingen, een paar weken voor de publicatie van het verkiezingsprogramma verklaarde dat er ,,geen cent'' van de defensiebegroting af mocht maar even later, toen dat programma op Defensie wèl grote bezuinigingen eiste, in het belang van een voortzetting van zijn parlementaire loopbaan zulke bezuinigingen van harte moest aanvaarden.

Er moet natuurlijk politieke strijd zijn aan het Binnenhof, en iedereen mag en moet daar proberen zoveel mogelijk aandacht voor de eigen denkbeelden, en die van zijn partij, te krijgen. Maar Kamerleden dienen allereerst de regering te controleren en als medewetgevers voor de kwaliteit van de wetgeving te helpen zorgen, daaraan valt nog wel wat te verbeteren. Wie dat saai vindt of vreest dat hij of zij daarbij te weinig opvalt, kan beter wat anders gaan doen. In elk geval zou een groep van 150 opinieleiders (of honderd, of vijftig) de Kamer al spoedig het beeld van een intellectuele paardenmarkt kunnen geven. Het uitgangspunt van de PvdA-commissie die de ontwerp-kandidatenlijst maakte, deze keer geleid door burgemeester Ouwerkerk van Almere (die eerder zelf de aandacht wist te trekken als burgemeester van Groningen), zal geweest zijn: onze mensen moeten in de Kamer de besten zijn. Nu, daar is niets tegen, het past bovendien bij de aard en het zelfbeeld van 's lands grootste partij. Daar schrikt men van zo'n VVD-voorzitter die, onlangs in een tv-interview, lachend bevestigt dat zijn partij populaire mensen graag zo hoog mogelijk op de lijst zet, ook als zij niet zo hoog scoren als visionaire denkers.

PvdA-voorzitter Koole zei afgelopen zaterdag dat het vier jaar geleden met de kandidatenlijst in zoverre niet goed was gegaan dat toen te veel nieuwkomers op te hoge plaatsen waren gezet. Wie zijn oor te luisteren legt bij het CDA hoort vergelijkbare klachten. De wens van partijen om met hooggeplaatste debutanten een frisse, vernieuwde of zelfs dynamische indruk te maken op de jonge kiezers (in vergrijzend Nederland) vraagt een prijs qua ervaring en deskundigheid. Na de vorige verkiezingen bleek de oppositionele CDA-fractie bijvoorbeeld niet of nauwelijks meer te beschikken over mensen die echt een begrotingsopzet konden doorgronden. De enige was toen de debutant Balkenende, intussen fractieleider.

In het tv-programma Buitenhof relativeerde Volkskrant-columnist Plasterk eergisteren de betekenis van een ander gekoesterd uitgangspunt bij het maken van kandidatenlijsten. Namelijk dat daarop qua aantallen en plaats een liefst paritaire behandeling aan vrouwen en mannen gegeven moet worden. Maar in de praktijk, vooral als het erop aankomt, maken mannen doorgaans de dienst uit, zei hij, en gaf er voorbeelden bij. Hij had gelijk, ook in dit opzicht kunnen kandidatenlijsten een misleidende indruk geven. Want het gaat om de nummers één (dat zijn alom mannen). De volgorde op die lijsten is interessant voor de betrokkenen en voor wie een interne personele graadmeter wil zien, niet meer, niet minder. De overgrote meerderheid van de kiezers kijkt er nauwelijks naar.