Moslimextremisme in Midden-Oosten in bloed gesmoord

Moslimextremisten steken her en der in de wereld de kop op, hier uitgroeiend tot bedreiging, daar niet meer dan een irritatie. Een korte, onregelmatig verschijnende serie. Vandaag slot: het Midden-Oosten.

Hoe maak je een eind aan moslimextremistisch gevaar? Dat heeft de toenmalige Syrische president Hafez al-Assad in 1982 laten zien. Zijn seculiere regime, gebaseerd op de alawitische (shi'itische) minderheid, was doelwit van soennitische extremisten. Die hadden, mede steunend op onvrede onder de soennitische meerderheid in Syrië, eind jaren zeventig een intensieve campagne van moordaanslagen tegen alawitische doelen gelanceerd. Voor hen waren alawieten geen moslims maar afvalligen die niets anders dan de dood verdienden.

Deze campagne culmineerde in februari 1982 in een opstand in de stad Hama, een soennitisch bolwerk. Vanaf de moskeeën werd de jihad, heilige oorlog, tegen Assads bewind afgekondigd en de extremisten namen de stad over. Hun opstand duurde drie weken. Hoeveel wapens de soennieten ook hadden, hoe fanatiek ze ook waren, ze hadden geen schijn van kans tegen het meedogenloze geweld van de elitetroepen van de broer van de president, Rifaat Assad. Naar schatting 20.000 mensen kwamen daarbij om het leven, extremisten, maar vooral burgers – en niet per ongeluk. Hoe meer onschuldigen hoe beter, was de achterliggende idee: zo zorg je ervoor dat voor de afzienbare toekomst niemand zelfs maar aan een opstand durft te denken.

Het Midden-Oosten is een broeinest van moslimextremisme. De moderne niet-gewelddadige fundamentalistische beweging is er geboren, geïnspireerd door de Egyptenaar Hassan al-Banna (1906-1949), vader van de Moslimbroederschap. De eveneens Egyptische Said Qutb (1906-1966) kan worden gezien als de vader van het moslimextremisme: de gewapende strijd tegen de eigen regimes die in naam wel islamitisch zijn maar zich in werkelijkheid opstellen als vijanden van het geloof.

Qutb werd in 1966 in opdracht van de nationalistisch president Nasser terechtgesteld. Maar toch was hij de overwinnaar: zijn ideeën kregen het jaar daarop de wind in de zeilen door Nassers rampzalige nederlaag tegen Israël in de Zesdaagse Oorlog, die de teloorgang van de seculiere, Arabisch-nationalistische ideologie inluidde.

In de meeste Arabische landen ging het toen slecht, en gaat het dezer dagen slecht tot zeer slecht. De regimes, over het algemeen geestverwanten van die van '67, zijn versteend in corruptie en repressie. Er zijn verkiezingen – omdat dat tegenwoordig in de wereld bon ton is en veelal ter bevestiging van het ego van de leiders. Zowel sociaal als economisch is er weinig verbetering, als er al sprake is van verbetering. De kloof tussen de talrijke armen en weinige rijken is enorm, zowel in de olie- als in de niet-olielanden. Voor de rijken is er alles, voor de armen niets. De Arabische landen zijn daarmee ideale voedingsbodem voor moslimfundamentalisten – `de islam is de oplossing' – en in hun verlengde de moslimextremisten, die de strijd gewapenderhand willen beslissen. Toch regeren de Nassers maar door, inmiddels alweer bijna 40 jaar na Qutb.

Aan de extremisten ligt het niet, zij hebben een vaak zeer bloedige strijd geleverd om hun respectieve regimes te ondermijnen en door een islamitisch bewind naar hun inzicht te vervangen. Het antwoord ligt in religieuze concessies door de leiders en hun gebruik van Israël als uitlaatklep, maar voor het grootste deel in de bestrijding. Hafez al-Assad mag dan een bijzonder harde variant hebben toegepast, andere Arabische leiders hebben zich niet veel milder opgesteld. De rapporten van Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties bieden boeiende lectuur.

Neem Tunesië, paradijs voor buitenlandse toeristen, die er een zeer vriendelijke ontvangst krijgen. Buiten de stranden en luxehotels gaat het er niet zo vriendelijk aan toe. Het regime van Ben Ali, en voor hem Bourguiba, heeft alles wat naar fundamentalistisch smaakte, gewelddadig of niet, genadeloos vervolgd. Een deel zit nog gevangen, de rest leeft in ballingschap, maar niemand geeft nog een kik. Of Libië: ook Gaddafi, groot bewonderaar van Nasser, heeft korte metten gemaakt met fundamentalisten (en andere opposanten).

In Egypte hebben de kinderen van Banna en Qutb, verenigd in de Jihad en de Gama'a al-Islamiya, zeer gewelddadig huisgehouden, maar de staat niet minder. Nassers opvolger Sadat werd in 1981 door de Jihad vermoord, maar de overheid sloeg keihard terug. In de jaren negentig werden buitenlandse toeristen door de extremisten als mikpunt gekozen om zo de toeristenindustrie en de staat die er zijn inkomsten uit kreeg, te treffen. Een kleine honderd toeristen zijn in naam van de extremistische islam vermoord, de laatste 69 in 1997 in Luxor. Toen sloot het grootste deel van de extremisten, murw gebeukt door overheidsvervolging, een bestand met de autoriteiten. De vleugel die hiertoe niet bereid was week uit naar Afghanistan, onder leiding van Aywan al-Zawahiri, die nu de rechterhand is van Osama bin Laden, om vandaaruit de strijd tegen het Egyptische bewind voort te zetten.

Van allemaal was het Algerijnse regime in 1993/'94 misschien wel het dichtst bij de val. De machtsstrijd tussen bewind en moslimextremisten was er hoe dan ook het bloedigst. Meer dan 100.000 Algerijnen, burgers zowel als veiligheidspersoneel en extremisten, zijn er tot dusverre bij omgekomen – vergelijk de circa 1.300 doden in de jaren negentig in Egypte.

In Algerije speelde mee dat de extremisten door hun afschuwelijk geweld tegen burgers hun achterban van zich vervreemdden – de moordende dwerg, de reizende guillotine – zozeer dat voor de Algerijnen het eerder gedesavoueerde regime weer acceptabel werd. Maar ook hier werd de genadeklap door de veiligheidsdiensten uitgedeeld. Nog steeds vallen er doden door moslimextremistische activiteit, maar het gevaar voor het bewind is geen fractie meer van wat het was.

De onvrede is groot in het Midden-Oosten. Fundamentalisme is er aantrekkelijk: in de meeste Arabische landen heeft de islam zich nog niet aan de macht ontmaskerd (in tegenstelling tot Iran, waar de ontnuchtering nu groot is). Het is de reden waarom Bin Laden op dit moment voor vele Arabieren een held is. Niet omdat zij hem als kalief wensen, maar omdat ze de onderdrukking en stagnatie onder hun door Amerika gesteunde leiders beu zijn. Maar het blijft vooralsnog grotendeels beperkt tot verbale steun. De maatschappij wordt er eerder door de regimes dan door de extremisten geterroriseerd.

Eerdere afleveringen verschenen op 15, 19 en 22 oktober. De hele serie is te vinden op www.nrc.nl