Lokaal bestuur

De gebeurtenissen in Leeuwarden rondom de tot aftreden gedwongen burgemeester Van Maaren zouden gemakkelijk kunnen worden afgedaan als een `dorpsrel'. Het debat of wat daar voor moet doorgaan dat de gemeenteraad van Leeuwarden gisteren aan de kwestie wijdde, was een combinatie van ordinaire achterklap en bestuurlijk falen. De vreemde zwijgplichtafspraak van vorige week kwam opeens in een ander daglicht te staan. Zoveel samengebald onvermogen van zoveel betrokkenen kan maar beter niet aan de kiezer worden getoond.

Veel is gisteravond in het debat onhelder gebleven. Maar duidelijk is wel dat de bestuurscrisis onmogelijk eenzijdig kan worden toegeschreven aan de inmiddels vertrokken burgemeester Van Maaren. Ongetwijfeld heeft zij fouten gemaakt, maar de voorbeelden van de gesloten bestuurscultuur die zij in Leeuwarden aantrof waren wel zo zorgwekkend. Dat doet de vraag rijzen hoe het eigenlijk gesteld is met het zelfreinigend vermogen van het gemeentebestuur. Want het is allerminst zo dat met het vertrek van de burgemeester nu ook de problemen zijn opgelost. Met ex-minister en ex-commissaris van de koningin Margeeth de Boer komt er weliswaar een bestuurlijk zwaargewicht naar Leeuwarden, maar ook zij is in hoge mate afhankelijk van wethouders en gemeenteraad die debet waren aan de bestuurscrisis.

Wat hierbij verder nog een rol speelt is de wetenschap dat de raadsverkiezingen van volgend jaar maart waarschijnlijk ook niet aan de definitieve oplossing zullen bijdragen. Dat heeft overigens minder te maken met Leeuwarden, als wel met een veel fundamenteler probleem waar het lokale bestuur in Nederland in zijn totaliteit mee heeft te maken. De afgelopen decennia is de belangstelling voor het lokaal bestuur hard achteruitgelopen. Het lukt de leeglopende politieke partijen steeds minder om mensen te vinden voor een plaats op de kandidatenlijst van de gemeenteraad die vervolgens ook nog eens voldoende gekwalificeerd zijn om wethouder te kunnen worden. En dat terwijl het lokaal bestuur mede als gevolg van decentralisatie alleen maar complexer wordt. Het moet toch te denken geven dat de selectiecommissie van de PvdA in Amsterdam, de grootste stad van het land, twee zittende wethouders niet meer op de lijst wilde zitten wegens onvoldoende bestuurlijke kwaliteit. Uit een onderzoek van dagblad Trouw bleek begin dit jaar dat sinds de verkiezingen van 1998 al 246 wethouders waren vervangen. Of zoals de krant omrekende: het betekent dat elke drie werkdagen ergens in Nederland een wethouder aftreedt.

Met de door de Tweede Kamer overgenomen aanbevelingen van de commissie-Elzinga, waardoor het mogelijk wordt vanaf volgend jaar wethouders van buiten de raad te benoemen, zou in theorie het kwaliteitsprobleem ten dele kunnen worden opgelost. Het is immers voorstelbaar dat bepaalde mensen wel in zijn voor een bestuurspost als wethouder, maar niet voelen voor een plaats op de kandidatenlijst. Het zal echter bij uitzonderingen blijven dat ook van deze mogelijkheid wordt gebruikgemaakt. In de meeste gemeenten zullen partijen er terecht de voorkeur aan geven dat wethouders in principe uit de raad voortkomen. Het gaat immers ook om de democratische legitimatie van het bestuur. Maar bedacht moet wel worden dat met het steeds vaker falen van bestuurders die legitimatie ook anderszins ter discussie komt te staan.

Gerectificeerd

Lokaal bestuur

In het hoofdartikel Lokaal bestuur (in de krant van dinsdag 30 oktober, pagina 9) staat dat de selectiecommissie van de Amsterdamse PvdA twee wethouders niet meer op de kandidatenlijst wilde zetten wegens onvoldoende bestuurlijke kwaliteit. Dit is te scherp geformuleerd voor wethouder Stadig. Over hem zegt de commissie dat hij ,,immense verdiensten' voor de stad heeft gehad, maar dat ,,een succesvolle bestuurder zijn grenzen moet kennen en de risico's van te lange voortzetting van een zwaar ambt moet zien'.