EU gebaat bij Brits-Frans-Duits directorium

De Belgische oud-minister van Buitenlandse Zaken Mark Eyskens schreef in NRC Handelsblad van 26 oktober dat de toekomst van Europa gebouwd moet worden op een driehoek: Parijs-Berlijn-Londen. Een prima idee want zonder leidende partner of groep van partners gaat het niet, vindt Peter van Walsum.

Na al het geweeklaag, ook van onze bewindslieden, over het `ongepaste' militair-politieke onderonsje van Blair, Chirac en Schröder aan de vooravond van de Europese top in Gent was het een verademing in de krant van 26 oktober te lezen dat de Belgische oud-minister van Buitenlandse Zaken Mark Eyskens de ontwikkeling van een Brits-Frans-Duits directorium als second best beschouwt. En `second best' betekent voor hem in feite `best', omdat hij de kwalificatie `first best' reserveert voor een Europese bondsstaat, die er, zoals wij allen weten, nooit zal komen.

Eyskens maakt een onderscheid tussen de as Parijs-Bonn die nog wel, en de as Parijs-Berlijn die veel minder als motor van de Europese eenwording fungeerde. Het kan zijn dat hij daarbij de fysieke verhuizing van de bondsregering naar Berlijn iets te veel betekenis toekent. Enkele jaren voor die verhuizing was het namelijk al duidelijk dat het Frans-Duitse topoverleg voorafgaand aan iedere Europese Raad en uitmondend in de halfjaarlijkse brief aan de partners van de president en de bondskanselier in toenemende mate een hol ritueel begon te worden.

Zeker toen defensie binnen het Europese gezichtsveld kwam en het vooroverleg tussen Mitterrand en Kohl zich ook daarmee ging bemoeien, was het iedereen duidelijk dat de as Parijs-Bonn onvoldoende gewicht bezat om nog langer als motor van de Europese eenwording dienst te doen. Verschillende ambassadeurs van EU-landen in Bonn hebben dit toen openlijk geconstateerd, en sommigen hebben daaraan toegevoegd dat uitbreiding met het Verenigd Koninkrijk het directorium wel voldoende gewicht zou bezorgen.

In Den Haag is men echter steeds op twee gedachten blijven hinken. Aan de ene kant werd wel ingezien dat het defensiebeleid van de Europese Unie zuiver intergouvernementeel zou blijven. Meerderheidsbesluitvormng op defensiegebied is, zoals Eyskens terecht opmerkt, pas mogelijk na de totstandkoming van een Europese staat. Pas dan, en niet eerder, kunnen wij het voorbeeld volgen van de Verenigde Staten, waar de Senaat ten tijde van de Golfoorlog debatteerde of geweld tegen Irak zou worden gebruikt en vervolgens op 12 januari 1991 met 52 tegen 47 stemmen daar het groene licht voor gaf. Aan de andere kant bleef men in Nederland onoverkomelijke bezwaren koesteren tegen de ontwikkeling van een directorium dat binnen de EU in defensieaangelegenheden als voortrekker zou kunnen fungeren.

Wie in Europa op defensiegebied iets van de grond wil krijgen en het lot van de 60.000 man sterke rapid reaction force laat wel zien dat dat niet eenvoudig is doet er goed aan niet het besluitvormingsmechanisme van de supranationale EEG maar dat van de NAVO als voorbeeld te nemen. De NAVO is, anders dan de EU, zuiver intergouvernementeel. Er wordt nooit gestemd, en toch komen er besluiten tot stand. Dat is te danken aan het feit dat de organisatie gezegend is met een leidende partner. Zoiets zou de EU, althans voor het zuiver intergouvernementele deel van haar agenda, ook moeten hebben. Maar de hemel beware ons in Europa voor één leidende partner. Een Brits-Frans-Duits directorium zou echter in (het intergouvernementele deel van) de EU op den duur de rol kunnen spelen die door de Verenigde Staten in de NAVO wordt gespeeld.

Zonder leidende partner, of groep van partners, gaat het niet, en als dat eenmaal in Den Haag wordt ingezien zou men zich zeker daar toch een slechtere leidende groep kunnen voorstellen dan een Brits-Frans-Duits directorium.

Mr. A.P. van Walsum was van 1993 tot 1998 ambassadeur te Bonn en van begin 1999 tot zijn pensionering begin dit jaar ambassadeur bij de Verenigde Naties.

TEKST ARTIKEL EYSKENS: www.nrc.nl