Een gevechtsvliegtuig van de plank kopen is geen schande

Het is onverstandig op dit moment in Nederland de vervanging van de F-16 aan de orde stellen. Militair gezien is een keuze voor een nieuw gevechtsvliegtuig nog lang niet nodig. Bovendien zou zo de deur worden gesloten voor nieuwe technologische ontwikkelingen, vindt A.C.A. Dake.

De Amerikaanse regering heeft vorige week definitief besloten een nieuwe generatie jachtbommenwerpers verder te laten ontwikkelen. Op termijn zal het dus tot de productie komen van de Joint Strike Fighter (JSF). Daarmee wordt de Nederlandse regering gedwongen kleur te bekennen en de Verenigde Staten te laten weten of de JSF nu ook voor Nederland de opvolger van de F16 wordt. De vraag is of deze opvolgingskwestie die al zo'n jaar of vijf speelt niet een opgeklopte zaak was en nog steeds is.

Het gaat om een belangrijk nieuw wapensysteem, en de kern is of een beslissing nu met de JSF in zee te gaan militair gesproken relevant is. De Koninklijke Luchtmacht beantwoordt deze vraag bevestigend. Aangevoerd wordt onder meer dat de Koninklijke Luchtmacht goede ervaring met de Amerikaanse defensie-industrie heeft en zeker met de nu gekozen producent, Lockheed Martin, die ook de succesvolle F-16 op zijn conto heeft staan. Verder is de luchtmacht ook in operationele zin goed ingespeeld op de Amerikaanse luchtmacht, zoals ook bleek tijdens de Kosovo-oorlog twee jaar geleden. In dat opzicht zijn er inderdaad goede argumenten om niet voor de Franse Rafale of de Europese Typhoon, de twee concurrenten van de JSF, te kiezen.

Maar waarom dan nu al een keuze bepalen voor de JSF? De 108 F-16's die het huidige bestand van de Koninklijke Luchtmacht vormen, hoeven niet eerder vervangen te worden dan in de periode 2010 tot 2020. Dankzij een `mid-life-update', die per vliegtuig 18 miljoen gulden heeft gekost, is de levensduur van de F-16 tot die tijd veiliggesteld. Als over een jaar of zes, zeven de tijd echt gaat dringen, kan alsnog een beslissing ten gunste van de JSF worden genomen.

Dat heet dan `van de plank kopen', maar is daar iets mis mee? Dat Nederland door nu op de JSF-trein te springen nog enige invloed kan hebben op essentiële of zelfs minder essentiële karaktertrekken van de JSF, is natuurlijk een volstrekte illusie. Zelfs Groot-Brittannië met zijn unieke status als volwaardige `partner' in het JSF-project heeft alleen invloed kunnen uitoefenen door technologie van wereldklasse te leveren via bedrijven als Rolls Royce en BAE Systems. Niet door, heel chic, op de eerste rij te zitten.

Maar hoe zit het met de Nederlandse defensie-industrie? Is er misschien industrie-politiek gezien een dwingende grond om nu al voor de JSF te kiezen? Ook dat is een weinig overtuigende gedachte. Jarenlang wordt geschermd met de forse omzet die Stork, Philips en kleinere bedrijven zouden kunnen behalen, als de regering maar het groene licht geeft. Bedragen tussen de tien en twaalf miljard gulden worden genoemd. Maar niets daarvan is hard. En het valt te betwijfelen of daarin wat zou veranderen. Van Amerikaanse kant is immers bij herhaling te kennen gegeven dat kwaliteit het enige criterium zal zijn. Het is dus zeer goed mogelijk dat bepaalde bedrijven in Nederland goed zullen kunnen scoren, zoals trouwens een niet zo groot, maar innovatief bedrijf als SP Aerospace in Geldrop al heeft laten zien. Maar daarvoor is het niet nodig een toegangsbiljet voor het JSF-circus te nemen.

Daarmee komen wij bij het derde beoordelingsaspect: de aanbetaling. Van Nederland wordt verwacht dat het een `voorschot' betaalt van om en nabij 1,7 miljard gulden. Dit komt dan bovenop de 400 miljoen gulden die al door industrie en overheid is uitgegeven. Er zou een toezegging zijn van de defensie-industrie om vanaf 2015 tot 400 miljoen gulden bij te dragen. Dat zou dan nog eens 1,3 miljard gulden aan overheidsbijdrage nodig maken.

Het Centraal Planbureau (CPB), dat op verzoek van de ministeries van Defensie, Economische Zaken en Financiën onlangs een rapport over de opvolgingskwestie uitbracht, komt op een lager bedrag: 350 tot 650 miljoen gulden. Niettemin is de eindconclusie van de CPB-studie negatief.

Behalve de aanbetaling speelt ook een rol dat er geen bijstelling meer mogelijk zou zijn. Tegen 2007 kunnen de operationele eisen van Defensie wel anders zijn, oppert het CPB. Ook kunnen de politieke verhoudingen tussen Europa en de VS tot andere prioriteiten leiden.

Ten slotte is er de kwestie van de prijs-kwaliteitverhouding tussen de huidige (en latere) concurrenten: naast de JSF dus de Rafale en de Eurofighter. Die verhouding is nu nog gunstig voor de JSF, maar zou er over een aantal jaren anders uit kunnen zien. Aldus het CPB-rapport, dat dan ook eindigt met het advies: ,,kopen van de plank lijkt de meest robuuste optie''.

Als Nederland dan zo graag en terecht technisch-industrieel voorop wil lopen of blijven lopen, is het eerder aan te bevelen één generatie over te slaan. De JSF is wel het laatste bemande gevechtsvliegtuig genoemd. Daarna is het woord aan de onbemande (onbewapende en bewapende) robotvliegtuigen. Die zullen goedkoper zijn, minder kwetsbaar en geen piloot meer in gevaar brengen. Laat de Nederlandse industrie zich op die generatie richten.

Daarbij gaat het om technieken op het punt van materialen als composieten, om communicatie- en informatietechnologie, om geleidingssystemen. Dat minister De Grave zich op dit punt al van medewerking van Franse kant heeft weten te verzekeren, is in dit opzicht van belang. Maar beter is het Australië na te volgen, waar na universitair vooronderzoek de overheid een robotvliegtuigindustrie helpt opzetten.

Nu al, anno 2001, de vervanging van de F-16 aan de orde te stellen, laat staan daartoe besluiten, is goed beschouwd onverstandig. Militair is een dergelijk besluit nog lang niet nodig en het zou de deur sluiten voor nieuwe operationele ontwikkelingen. Wat het industrie-politieke aspect betreft, gaat het om `tien vogels in de lucht', terwijl die ene `in de hand' er toch wel – of niet – komt. Ten slotte wordt er financieel nogal wat van het Nederlandse bedrijfsleven en vooral van de overheid gevraagd zonder dat daar duidelijke baten tegenover staan.

De regering zou er dan ook goed aan doen nu snel de knoop door te hakken en het advies van het CPB te volgen: in 2007 of daaromtrent het dan beste vliegtuig `van de plank' kopen. En als de regering dat anders zou zien, dan is er, mag men hopen, nog altijd een Tweede Kamer waar het gezonde verstand de overhand kan, maar dan ook moet krijgen. Net zomin als partijcongressen vliegtuigen kopen, zoals een vroegere minister van Defensie al eens constateerde, zomin kopen parlementariërs dat soort wapentuig. Maar ze kunnen wel nee zeggen, als dat het meest zinnig is.

Dr. A.C.A. Dake is auteur van het boek `Si vis pacem' (1998) over het Nederlandse defensiebeleid.