Media kunnen pretenties niet waarmaken

Bijna niemand weet uit de eerste hand wat in Afghanistan gebeurt. Dat ondermijnt de geloofwaardigheid van de berichtgeving, vindt Ad van Liempt.

Tot nu toe heeft George W. Bush weinig reden tot klagen over de Amerikaanse media. Ze staan achter hem, en ze laten zich van hun meest vaderlandslievende kant zien. En wat nog verbazingwekkender is: ze kunnen een geheim bewaren, hoewel aan die eigenschap in een journalistieke sollicitatieprocedure toch zelden waarde wordt toegekend.

Washington Post-mediaredacteur Howard Kurts onthulde laatst dat zeventien (!) media twee dagen tevoren op de hoogte waren van het tijdstip waarop de Verenigde Staten de aanval op Afghanistan zouden openen. Ze hadden verslaggevers aan boord van de marineschepen vanwaar op zondag 7 oktober aanvalsraketten zouden worden afgeschoten, en al op vrijdag 5 oktober waren die reporters afdoende gebrieft. Volgens Kurtz was hun niet eens expliciet geheimhouding opgelegd: de media hielden het geheim vrijwillig voor zich.

Wat zien we hier precies? Eindelijk nieuwsmedia die hun verantwoordelijkheid kennen en ook nemen? Of: de ondergang van de vrije pers die zover is gezonken dat zij zelfs de primeur van een naderende oorlog geheimhoudt?

In de VS is over deze opmerkelijke opstelling van de nationale journalistiek geen discussie van betekenis ontstaan. Eigenlijk staat iedereen gewoon pal achter z'n president, z'n land, z'n vlag, z'n leger. Als er al een mediadiscussie wordt gevoerd, gaat die over een talkshowhost die in de uitzending zei dat het toch wel een staaltje van verregaande lafheid is om van tweeduizend kilometer afstand kruisraketten af te vuren. De dader, Bill Maher, van het programma Political Incorrect werd tijdelijk van het scherm gehaald. Hier en daar moppert een hoofdredacteur wel wat over de grote afstand die er is tussen de perscentra en de plaatsen waar het écht gebeurt, maar wat overheerst is een verpletterend begrip voor het staatsbelang dat geen open persbeleid toestaat.

Het is wel even wennen, die makke houding van de Amerikaanse media die we hier toch meer als leeuw dan als lam plegen te zien. Die houding zal niet lang meer kunnen duren. Spoedig zal de Amerikaanse journalistiek inzien dat ze in een crisis is beland. Ze kan, net als de collega's uit de rest van de wereld, haar werk niet doen. Ze kan niet beoordelen of de van regeringszijde verstrekte berichten over succesvolle precisiebombardementen kloppen. Evenmin kan ze uitmaken of de Afghaanse berichten over talloze burgerslachtoffers hout snijden. De tv vertoont beelden zonder zeker te weten waar ze zijn gedraaid en wat er precies op staat. De kranten drukken foto's af die rond Kabul gemaakt heten te zijn, maar niemand weet of dat wel klopt.

De journalistiek staat, kortom, op nul. Ze is gedwongen zich op secundaire bronnen te verlaten, te speculeren wat er gebeurd kan zijn en het midden te houden tussen de claims van de betrokken partijen. Dat doet te meer pijn, omdat de internationale media de laatste jaren de pretentie hebben ontwikkeld dat hun dat niet meer zou overkomen. De televisie kreeg haar SNG's, mobiele satelliet-uplinks, waardoor rechtstreekse verslaggeving mogelijk werd vanaf elke uithoek op aarde. De kranten kregen satelliettelefoons waarmee ze foto's en verslagen in ongekend tempo bij de lezer kunnen hebben. Een nieuwe toekomst was geboren. Op de flanken van de berghellingen in Noord-Irak streken de schoteljournalisten massaal neer na de Golfoorlog, om het leed van de Koerden aan de wereld bekend te maken. De Koerdenbaby's stierven live in de huiskamers. En de wereld reageerde geschokt, de internationale gemeenschap nam maatregelen, stelde een no-fly-zone in en redde de bedreigden.

Vergeten was de ellende van de Golfoorlog, waar de overheidscontrole op de berichtgeving totaal was. De journalistieke euforie van Vietnam, waar de reporters op het laatst ongekende bewegingsvrijheid hadden, was terug en kreeg een nieuwe generatie journalisten in haar greep. Vol zelfvertrouwen, zelfoverschatting misschien wel, trok het satellietvolkje verder, naar de volgende misstand waar het even iets aan ging doen.

Er waren onderweg ook wel teleurstellingen te noteren. In Bosnië konden de media weliswaar talloze verschrikkingen melden, maar bij het grote nieuws, de afslachting van de duizenden mannen van Screbrenica, werden ze toch weer ouderwets op grote afstand gehouden. En Joegoslavië ging ook op slot toen het menens werd rond Kosovo. De media konden de effectiviteit van de NAVO-bombardementen niet beoordelen en waren aangewezen op de persconferenties van Jimmy Shea. Ze waren daarentegen meer dan welkom om het leed van de vluchtelingen aan de grens met Macedonië te registreren en deden dat vol overgave – wordt dat binnenkort ook het beeld van déze oorlog?

Succesjes en nederlagen wisselden elkaar dus af voor de poortwachters van de wereldpolitiek. En aan die succesjes ontleenden de media de pretentie een dragende rol te kunnen vervullen op het wereldtoneel, vooral als af en toe een minister van Buitenlandse Zaken zijn gal spuwde over die verrekt lastige openbaarheid, die wel als de `CNN-factor' wordt aangeduid. Maar vandaag staat de journalistiek weer met beide benen op de grond. CNN is geen factor van betekenis in het Afghanistan-conflict. De zender is in feite weggespeeld door het beter gefaciliteerde Al Jazira. De media moeten zich tevredenstellen met het doorgeven van wat de betrokken partijen wensen prijs te geven. Voortgedreven door de onderlinge concurrentie doen ze dat gretig en uitvoerig – wat moeten ze anders? En in de VS wedijveren ze daarnaast in vaderlandsliefde, waarbij ze trefzeker aansluiten bij de sfeer in het land, die ze deels zelf hebben geschapen.

Helemaal geen lichtpuntjes dan? Wel, soms valt er nog wel van een journalistiek hoogstandje te genieten. Niet zozeer van het front of van de live-verslaggeving, maar meer van die andere hoeksteen van het journalistieke métier: het diepgaande onderzoekswerk.

Seymour Hersh schreef in de New Yorker twee weken geleden een vernietigende reportage over het falen van de inlichtingendienst CIA. Stemmen vanuit de dienst zelf schilderen het failliet van een vadsig geworden organisatie, waarvan de medewerkers hun luxueuze buitenwijken niet meer uitkomen en 's avonds laat niet meer over straat naar hun favoriete restaurant in Washington durven. Ze spreken hun talen niet, ze hebben het contact met de nieuwe vijanden verloren en ze beheersen het oude handwerk voor geen meter meer. Het gaat nog vele jaren duren voor de CIA (die vorige week een miljard dollar extra budget toegeschoven kreeg) weer competente spionnen het veld in kan sturen – dát is pas een onthulling.

Hersh maakt zeer aannemelijk dat de CIA de slag met het internationale terrorisme verloren heeft. Het naderende ontslag van CIA-baas George Tenet (,,He is history'') zal weinig uithalen, hoorde Hersh van niet allemaal anonieme CIA-insiders.

Mooi journalistiek speurwerk, dat eigenlijk meer zorg zou moeten wekken dan alle paniekberichtgeving van de networks bij elkaar. Een teken aan de wand ook: als de media op het slagveld niet welkom zijn, zullen ze hun geschonden blazoen moeten oppoetsen door de beleidscentra aan te vallen met journalistieke dieptebommen.

En de resultaten moeten ze onverwijld publiceren, ook als dat de regering niet goed uitkomt. Want een onafhankelijke pers – was dat niet een van de waarden die het Westen te vuur en te zwaard zei te willen verdedigen tegen het Kwaad?

Ad van Liempt is eindredacteur van het NPS/VPRO-programma Andere Tijden.