In het archief

Het is herfst, in verre landen wordt geschoten en boze mannen beramen boze plannen. Het eeuwige hangt in de lucht. Geen beter toevluchtsoord dan het archief, waar het verleden zo netjes mogelijk wordt bewaard. Als je daar maar lang genoeg zou zijn, zou je alles begrijpen. Het is er vredig, en soms gebeurt het dat je iets te weten komt dat bijna iedereen is vergeten. Alsof je wandelend langs het pad van de tijd een bijzondere kiezelsteen vindt.

Ik vond een beeldhouwer, Henri Teixeira de Mattos, wiens leven bleek te zijn gestold in een twintigtal opgeplakte krantenknipseltjes. Hij was een Hollandse artiste pompier, vorstelijk beeldhouwer van vorstelijke beelden; in een paar fotokopieën kon ik hem zo mee naar huis nemen.

Eigenlijk was ik op zoek naar iemand anders, een oom van hem die rond 1885 een sprookjesachtig huis had laten bouwen aan de Sarphatistraat in Amsterdam. Een Venetiaans of Moors paleis leek het wel. Er zijn nog foto's van in het archief; in 1972 is het afgebroken omdat het moest wijken voor de Nederlandse Bank. Dat was (en bleef) een akelige wond in de stad. Maar geld moet nu eenmaal rollen, en negentiende-eeuwse huizen werden in 1972 nog onbeschroomd monsterlijk gevonden.

De verguizing van de negentiende-eeuwse smaak is vermoedelijk ook de reden dat Henri Teixeira de Mattos (1856-1908) is vergeten door de wereld. Zijn verhaal begint klassiek: hij kwam uit een bankiersfamilie en moest zelf ook bij de bank. Maar toen hij na twee jaar als leerling alleen maar figuurtjes van zegellak bleek te hebben gemaakt – karikaturen van collega's – mocht hij toch naar de Academie. Op zijn negentiende ging hij zijn opleiding tot beeldhouwer in Rome voltooien. Dat was niet zo'n goed idee, zegt een knipsel, want in Italië speelde in die tijd een heel commercieel soort beeldhouwkunst de hoofdrol.

De werken waarmee onze held vervolgens een zekere faam verwierf hadden dramatische titels als Neger, door een panter besprongen en Egyptische slavin die zich uit de ketenen tracht te wringen. Zulke beelden waren erg in de mode in die tijd, vooral in Parijs, waar het beeld van de slavin in 1888 op de Salon werd toegelaten. Of het een succes was, zeggen de knipsels niet.

Wel doen zij uitvoerig verslag van het vervoeren van de kolossale, wit-marmeren beeldengroep met die neger en die panter. Van Teixeira's atelier vlakbij Artis moest hij naar de Dam, waar in de herfst van 1892 de `driejaarlijkse tentoonstelling' plaats vond. Een kar op de tramrails, getrokken door paarden, bracht het gevaarte op een vroege septemberochtend naar zijn bestemming.

Eind november moest de beeldengroep natuurlijk ook weer over de rails worden afgevoerd. Na de laatste tram, door vier lantaarns fantastisch verlicht en begeleid door werklieden en nieuwsgierigen, ging het ingepakte beeld naar de ruimte onder het Rijksmuseum. Daar heeft het lang gestaan, misschien wel tot 1906, toen het eindelijk een waardige bestemming kreeg: het werd gekocht door de Londense dierentuin.

Teixeira de Mattos had in de tussentijd zelf in Londen gewoond. Knipsels uit 1893 gaan over een grote veiling van al zijn meubels en bijzondere voorwerpen. Zijn hele atelier, waar hij voor het kunstminnende publiek wel eens open huis had gehouden, moest leeg. De beeldhouwer had genoeg van Nederland. Hij ging naar Londen, naar het voorbeeld van beroemde landgenoten als Lourens Alma Tadema.

Maar helaas, zelf werd hij niet zo beroemd, en na zeven jaar kwam hij terug; hij ging wonen in Den Haag. Hij houwde geen beeld meer, maar ging knusse boerenbinnenhuisjes schilderen, die wat beter in de markt lagen dan grote beelden. De knipsels vallen stil. Zij worden pas weer wakker als Teixeira de Mattos plotseling overlijdt, nog geen 52 jaar oud. Zelfmoord? Die suggestie is taboe, anno 1908. De knipsels melden plichtmatig dat zijn bekende panterbeeld `een zeer goed effect maakt' in het park van de Londense dierentuin, en vertellen verder haast niets. Hij wordt begraven op Nieuw Eik en Duinen. Amsterdamse en Haagse kunstenaarssociëteiten sturen kransen.

Het is zoals Prediker zegt (1:11). Er is geen heugenis van de vorige tijden, en ook van de latere, die er zullen zijn, zal er geen heugenis wezen bij hen die nog later leven zullen.