Godsdienst als bridgeclub

Een van de beste filosofen van onze tijd, Martha Nussbaum, heeft vorig jaar een boek geschreven dat plotseling erg relevant is geworden. Het gaat over godsdienstvrijheid en hoe dat soms botst met andere vrijheden. Over het recht van mensen om te geloven, ook als het hun eigen ontplooiingskansen beperkt.

Het is geen studeerkamerboek, Nussbaum heeft intensief veldwerk gedaan in India, een land waar ze samen met Nobelprijswinnaar Amartya Sen al eerder over schreef.

Het boek van vorig jaar heet `Women and Human Development', en daar moest het aanvankelijk over gaan, over vrouwen en onderontwikkeling, maar door de vele gesprekken die Martha Nussbaum voerde kwam ze op het thema godsdienst. De vrouwen in India zijn diep gelovig. En ze worden zwaar onderdrukt, door hun geloof.

Alleen de meest spectaculaire gevallen halen de krant: kinderhuwelijken, weduwenverbrandingen, clitoridectomie, tempelprostitutie, perikelen rond maagdelijkheid. Maar vrouwen krijgen ook minder en slechter te eten dan mannen. Ze krijgen minder onderwijs. En ze hebben eindeloos minder keuzemogelijkheden om iets van hun leven te maken. Ze mogen niet buitenshuis werken, ze moeten soms gesluierd gaan en ze kunnen makkelijk worden verstoten door man en familie. En dat wordt allemaal gerechtvaardigd door hun geloof, of ze nou hindoe of moslim of iets anders zijn.

Martha Nussbaum worstelt met de vraag hoe hierop te reageren. Zelf is ze een universalist die de Kantiaanse these volgt dat ieder mens een doel op zichzelf is, en nooit een middel. Vrouwen in deze contreien zijn meestal middelen, ter meerdere eer en glorie van hun godsdienst, en vooral van de mannen binnen die godsdienst.

Maar, zegt Nussbaum, het zou tamelijk onbeleefd zijn om tegen deze vrouwen te zeggen dat ze zich vergissen, dat de God die ze dienen niet deugt of dat de heilige geschriften ook anders kunnen worden gelezen. Zoveel feministen hebben het geprobeerd, ze kwamen met verhalen over gelijkheid en emancipatie en ze werden weggehoond, omdat die verhalen zo `westers' klonken. Socialisme, liberalisme, het strookte niet met het hindoeïsme of de islam waarin de vrouwen waren opgegroeid.

Toen probeerden juristen het. India heeft namelijk een van de meest moderne en democratische constituties van de wereld. De Indiase grondwet stelt wreedheid strafbaar. Discriminatie op grond van kaste is strafbaar. Uithuwelijking op jeugdige leeftijd is strafbaar. Geestelijk of lichamelijk geweld is strafbaar. Op papier is het allemaal strafbaar. Maar het Indiase hooggerechtshof kan de klachten van mensenrechtenorganisaties nauwelijks aan en heeft zich bovendien te houden aan de vrijheid van godsdienst, die door dezelfde constitutie wordt gegarandeerd.

Geloof, zegt Martha Nussbaum, geeft mensen naast een heleboel dingen ook waardigheid. Godsdienst geeft mensen veel narigheid, maar ook identiteit en cultureel bewustzijn. Dat moet worden gerespecteerd. Uiteraard is het argument bizar dat `wij', westers geschoolde mensen, geen oordeel mogen vellen over `andere' culturen. Dat soort relativisme is uit de tijd, maar in deze wereld kan je niet botweg aankomen met het andere extreem: het universele principe van de rechten van de mens. Het wordt als onbeleefd en ongevoelig ervaren en bovendien keren de vrouwen om wie het gaat zich om en laten zij zich liever onderdrukken dan bevrijden. Goed, je moet ook `gelukkige' slaven bevrijden, maar je moet ze eerst kunnen wijzen op het wezen van de slavernij en op alternatieven die er bestaan.

Tot zover is Martha Nussbaum overtuigend, maar dan wordt ze vaag. Hoe elegant en ontspannen ze ook schrijft, het blijft een beetje hangen in `dialoog' en `kritiek van binnenuit', en dat is allemaal wel beleefd en zo, maar je schiet er niet veel mee op.

Misschien moeten universalisten als Martha Nussbaum met iets minder schroom te rade gaan bij zichzelf, bij hun eigen, vervloekte en imperialistische westerse cultuur zeg maar. In India mag ik niet zeggen dat God niet bestaat, dat is onbeleefd. Maar als ik het in Nederland zeg, haalt men de schouders op. Geloof is in geseculariseerde samenlevingen bijna een sociologisch kenmerk: iemand heeft een protestantse opvoeding gehad, of een katholieke, of een joodse. Het verklaart een aantal persoonlijke hebbelijkheden, wat leuk is voor het gesprek na het diner, maar ernstiger wordt het niet.

Dat komt niet doordat men nergens meer in gelooft. Het komt doordat geloof iets persoonlijks is. Er is een groot verschil tussen gelovigheid en godsdienstigheid. Geloven doet een bepaald persoon, hetzij in een inktpot, hetzij in een man met een baard. Daar hoort niemand tussen te komen, het is een wezenlijke vrijheid van de mens en de mens is, daar waren we het over eens, doel op zichzelf.

Maar godsdienst is een collectieve gebeurtenis, met collectieve afspraken die werden gemaakt op een moment waarop je er niet bij was. Je was er niet bij toen werd gezegd dat je in het wit of in het rood moest trouwen. Je was er niet bij toen werd bepaald dat je maagd moest zijn. Je was er niet bij toen werd vastgesteld dat je slaag en minder eten moest accepteren.

Eigenlijk kan men zich afvragen of vrijheid van godsdienst wel in de grondwet hoort. Er is al de vrijheid van vereniging, en wat is godsdienst anders dan een vereniging? Als iemand van de bridgeclub betrapt wordt op vals spel, heeft de club niet het recht die persoon te laten geselen. Als een lid van de antirokersvereniging een sigaartje opsteekt, mag die niet worden bedreigd of beschimpt. In deze gevallen twijfelt de rechter niet over welke vrijheid `hoger' staat. De persoonlijke en lichamelijke integriteit wint vanzelf.

Waarom twijfelt men dan wel als die vereniging `hindoeïsme', `christendom' of `islam' heet? Als in Nederland een imam homo's beledigt, maakt het niet uit of hij dat doet vanuit zijn vereniging. Beledigen mag niet. Als een christelijke partij vrouwen discrimineert, dan mag het een oude en eerbiedwaardige vereniging zijn, maar discriminatie mag niet, sorry.

Godsdiensten zullen nog lang blijven bestaan, ben ik bang. Er zijn nu eenmaal mensen die het prettig vinden zich te verenigen onder een bepaalde gedachte, waangedachte of niet. Maar de liberale democratie, waarin de meesten van ons willen leven, mag godsdienstvrijheid niet hoger stellen dan persoonlijke vrijheid. Persoonlijke geloofsvrijheid is voldoende. Ruim voldoende zelfs.

ramdas@nrc.nl