De oorlogsverslaggeving is terug bij Waterloo

Regeringen en hun legers beginnen een oorlog om te winnen, zonder dat het hun iets kan schelen hoe dat gebeurt. Voor hen vormen de media een bedreiging. Alleen in oorlogen waarbij het om het voortbestaan van het land zelf gaat, zoals in de Tweede Wereldoorlog, kunnen ze op de volledige steun van de media rekenen. Maar bij andere oorlogen – de oorlog om de Falkland-eilanden, de Golfoorlog, `Kosovo' en nu `Afghanistan' – kan geen enkele regering er automatisch van uitgaan dat de media aan haar kant staan. En zonder de media aan hun kant zou de steun van het publiek weleens kunnen wegebben.

In een democratie met een sterke pers en een kritische traditie kunnen de media niet gedwongen worden de oorlog te steunen. Ze moeten door lokmiddelen of intimidatie tot zelfcensuur worden aangezet. In alle landen die de aanval op Afghanistan steunen, hebben we dan ook al gezien dat een beroep werd gedaan op de vaderlandslievendheid van de media, op het nationale belang, op de veiligheid en de noodzaak `onze jongens' te steunen. Die oproep ging gepaard met beschuldigingen als zouden de media de vijand in de kaart hebben gespeeld, de veiligheid van de nationale leiders op het spel hebben gezet, de troepen een dolkstoot in de rug hebben toegebracht, in de vijandelijke propaganda zijn getrapt en de oorlogsinspanning hebben ondermijnd.

De Britse premier Blair heeft de mediabazen ontboden en hun gevraagd boodschappen van Osama bin Laden niet opnieuw uit te zenden, zeker van tevoren opgenomen video's niet, die weleens gecodeerde boodschappen aan zijn aanhangers zouden kunnen bevatten. En de Amerikaanse minister van Defensie, Rumsfeld, waarschuwde de Amerikaanse mediabazen dat ze niet op veel medewerking van het Pentagon hoefden te rekenen, omdat het ging om een nieuw soort oorlog waarin geheimhouding van het grootste belang was.

In werkelijkheid willen Blair en Rumsfeld de nieuwsstroom uit Afghanistan beheersen uit angst dat eventuele beelden van burgerslachtoffers bij de bombardementen de steun bij het publiek voor de westerse alliantie aan het wankelen zouden brengen. Een aanval onder leiding van twee machtige industrielanden op een agrarisch Derde-Wereldland, waar al niet veel van over is en waar hongersnood heerst, zou niet bepaald een stichtelijk tafereel vormen en ook niet gemakkelijk te verkopen zijn.

Alles hing ervan af of het publiek ervan kon worden overtuigd dat het zuiver om een oorlog tegen het terrorisme ging, dat het Westen niets tegen het Afghaanse volk of de islam had. Alleen de Talibaan en de strijdkrachten van Osama bin Laden zouden worden aangevallen. Dankzij de precisiewapens zou het aantal burgerslachtoffers tot een minimum beperkt blijven. Bloederige tv-beelden en lugubere foto's van burgerslachtoffers zouden een bedreiging vormen voor deze bespottelijke propaganda.

Voordat William Howard Russell van The Times als eerste burger oorlogsverslaggever werd in de Krimoorlog (1854-56), versloegen generaals hun oorlog zelf. Wellington bracht bijvoorbeeld verslag uit over Waterloo. Als we nu, bijna honderdvijftig jaar later, willen weten wat er in Afghanistan gebeurt, zetten we CNN aan en daar staat een Amerikaanse viersterrengeneraal ons te vertellen wat wij van de oorlog moeten weten. De officiële verklaringen zijn noodgedwongen de voornaamste nieuwsbron geworden. Zo is de oorlogsverslaggeving terug bij af.

De Amerikaanse media zien waarschijnlijk wel in dat Rumsfeld gelijk heeft als hij zegt dat dit een ander soort oorlog is, waarin de oude regels voor verslaggeving niet gelden. Dat verklaart waarom ze zich concentreren op het thuisfront – de strijd tegen miltvuurterrorisme. Ook daarbij komt de vrijheid van meningsuiting in gevaar. De media passen kennelijk zelfcensuur toe met als argument dat voortdurende verslaggeving over de aanslagen met miltvuur de Amerikanen paniek zou veroorzaken. In een debat op CNN betoogden verscheidene panelleden dat er te veel nieuws over miltvuur is en dat de media er een poosje over moeten zwijgen.

Welke verhalen in deze oorlog hebben niet de aandacht gekregen die ze verdienden?

Allereerst het effect van de bommen op de burgerbevolking in Afghanistan, ofschoon de kranten inmiddels verslagen en foto's van slachtoffers hebben gebracht. ,,Uiteengerukte gezinnen, stervende kinderen. De vreselijke beelden van deze `rechtvaardige oorlog','' schreef The Independent.

Ten tweede de omvang van de oppositie tegen de oorlog. Over anti-oorlogsdemonstraties in de VS en Groot-Brittannië zijn nauwelijks berichten verschenen of ze zijn helemaal genegeerd.

Ten derde de oliecomplottheorie. Al bij de eerste bombardementen ging het gerucht dat de VS een pro-Amerikaanse regering in Afghanistan in het zadel wilden helpen, omdat ze een oliepijpleiding door het land willen aanleggen. Het werd afgedaan als de zoveelste complottheorie. Maar inmiddels is er bewijs voor gevonden. Volgens de Britse hoogleraar politicologie George Monbiot heeft de Amerikaanse Energy Information Administration kort voor de aanval op New York het volgende gemeld: ,,Het belang van Afghanistan voor de energievoorziening vloeit voort uit de ligging van het land als potentiële doorvoerroute voor olie en export van gas uit Azië naar de Arabische Zee.''

Voordat deze oorlog voorbij is, komen er vast nog meer verhalen die worden genegeerd, vervormd, overtrokken, uit hun verband gerukt of verdraaid. Is dat erg?

In 1999 reisde een groep Amerikaanse congresleden naar Joegoslavië omdat ze het gevoel hadden hun eigen regering noch de media te kunnen vertrouwen als het ging om wat daar echt gebeurde. ,,De enorme verwarring die is ontstaan door mediamanipulatie van alle kanten heeft alleen maar bijgedragen tot de bloeddorstigheid die tot een veel grotere en langduriger oorlog kan leiden als ze de enige basis zou vormen voor beslissingen,'' zo werd opgemerkt.

Ja, dat is dus wel erg.

Phillip Knightley is de schrijver van `The First Casualty', een geschiedenis van de oorlogsverslaggeving.