De nieuwe F-16

Een opdracht van 200 miljard dollar voor de bouw van drieduizend of meer jachtbommenwerpers voor de Amerikaanse en Britse luchtmacht – die eer viel eind vorige week het Amerikaanse Lockheed Martin ten deel. Politiek en defensie-industrie, waar dan ook ter wereld, keken ademloos toe. Het ging niet alleen om het vergeven van een kolossale order. Het ging in feite om de vraag of de VS wel zouden doorgaan met een van de grootste defensieprojecten ooit: de ontwikkeling en bouw van de zogeheten Joint Strike Fighter (JSF), de opvolger van de F-16. Het antwoord op die principiële vraag is nu gegeven. Daarmee wordt zonder twijfel een hele reeks politieke en industriële feiten in gang gezet, in Amerika èn Europa.

Lockheed won van Boeing, dat mogelijk nog wel als toeleverancier betrokken zal zijn bij de fabricage van het nieuwe toestel. Maar daarmee is lang niet alles gezegd. Voor tal van landen en bedrijven heeft deze beslissing van het Amerikaanse ministerie van Defensie belangrijke gevolgen. Door de ontwikkeling met de Joint Strike Fighter kan de keuze van een nieuwe jachtbommenwerper in EU-landen, waaronder Nederland, in een stroomversnelling raken. Amerika en zijn belangrijkste partner – ook in dezen – het Verenigd Koninkrijk wijzen de weg. Althans daar heeft het alle schijn van. Lockheed Martin werkt als defensieconsortium nauw samen met British Aerospace. Beide ondernemingen, nu gesteund door de Amerikaanse politiek, hebben de rijen gesloten en kunnen minder besluitvaardige concurrenten de loef afsteken.

Europese concurrentie is er zeker. Maar de vraag is of die in technologisch en industrieel opzicht kan leveren – een vraag die overigens net zo goed geldt voor Lockheed Martin. Een Europees consortium werkt aan de Eurofighter, een project dat na jaren discussie en onenigheid nu eindelijk vastere vorm heeft aangenomen. Overigens pas nadat Frankrijk na een knallende ruzie uit de Eurofighter was gestapt om zijn eigen gevechtstoestel te ontwikkelen, de Rafale. Voor een land als Nederland, dat een opvolger voor zijn F-16's moet kiezen, is de keus in wezen beperkt tot de Eurofighter, de Rafale of de Joint Strike Fighter.

Het Amerikaanse besluit zet de Nederlandse politiek onder druk om nu snel een keuze te maken. Daarbij zijn een paar zaken van belang. Allereerst is overhaaste besluitvorming uit den boze. Aan welke keus ook zit veel vast en eenmaal gekozen blijft gekozen. Bij Defensie en de Nederlandse luchtvaartindustrie is het Amerikaanse toestel favoriet. Maar daar hoeven Kamer en kabinet hun oren niet naar te laten hangen. Een rationele afweging is gewenst. En er moeten een paar fundamentele vragen worden beantwoord. Wat zal een keuze voor de Joint Strike Fighter betekenen voor het Eurofighterproject en het Europese consortium dat dit toestel moet gaan bouwen? Welke keuze zullen andere NAVO- en EU-landen maken, en is afstemming met hen noodzakelijk? De Nederlandse luchtmacht zal immers altijd onderdeel van een groter geheel zijn. Hebben de aanslagen van 11 september nog betekenis voor een keuze? En ten slotte: de vervanging van de Nederlandse F-16's zal ten minste 12 miljard gulden kosten. Op korte termijn moet duidelijk worden gemaakt wat hiervoor de compensatieorders en eventuele deelnemingen zijn. Kort gezegd: wat krijgt Nederland terug voor zijn geld, behalve een geavanceerd gevechtstoestel?