Zeldzame koeien

Ik ben naar Waaxens geweest. Waaxens ligt aan de weg van Dokkum naar Holwerd. Daar, in de wereld van de verdwaalde kerkjes, ruikt het land al naar de wadden.

Ik was op zoek naar een boer met FH-koeien en ik dacht: het zal wel zo'n dwars mannetje worden dat willens en wetens met zijn rug naar de toekomst is gaan staan. Maar ik kwam bij Tjitte en Jelske de Groot terecht, hartelijke mensen die zo op het oog de perfecte balans tussen traditie en vooruitgang gevonden hebben. En een toekomst is er ook: Ids en Hessel, twee opvolgers (en dat is óók een probleem, dat betekent dat het bedrijf straks aan twee gezinnen een bestaan moet bieden).

Met FH-koeien zit je in de hoek van de zeldzame huisdierrassen. ,,Qua aantal is het nogal klein geworden'', geeft Tjitte toe. ,,En als je naar de leeftijd van FH-fokkers kijkt... maar dat wil niet zeggen dat het allemaal ouderwetsigheid is. Er zijn FH-bedrijven die het heel best doen, er is zelfs een robotboer bij.'' Hij bedoelt ongetwijfeld een boer met een melkrobot.

FH, dat is de originele Fries-Hollandse zwartbonte koe, precies het omgekeerde dus van HF, de Holstein-Friesian, het met Amerikaans bloed opgefokte melkvee dat onze weilanden inmiddels stormenderhand heeft veroverd.

Tjitte is 56; hem werd nog met de paplepel ingegoten dat wij de beste melkkoeien van de wereld hadden. En misschien was dat ook wel zo. Wat die dieren, puur op gras en regenwater, presteerden – dat was ongelooflijk. Maar door rigide fokpraktijken raakte deze koe volkomen in het slop.

De melkgift werd voor lief genomen, er werd vooral op vlees gefokt. Steeds rijker bevleesd, steeds kleiner van stuk. Lange spenen, makkelijk voor het melken met de hand. Witte benen en blanke hoeven, uitsluitend voor het mooi. Uiteindelijk kon deze koe geen partij meer bieden aan het Amerikaanse veeslag, dat al een eeuwlang compromisloos op melk werd gefokt.

,,Wij hadden een prima FH-stapel'', zegt Tjitte. ,,In '79, bij de jubileumkeuring van het Fries Rundvee Syndicaat, behaalden wij met zes jonge koeien de 1A-prijs in de categorie bedrijfscollecties. Het was de eerste keer dat we meededen. Koningin Juliana zat op de tribune.''

,,Hij is een geboren veefokker'', merkt Ids daarbij op. ,,Koeien, paarden, kippen, schapen, honden, hij wil altijd kampioenen.'' Tjitte grinnikt, hij voelt zich begrepen. Dan: ,,Toch was ik hier een van de Holstein-pioniers. In '73 al. Sperma uit Amerika. En uit Duitsland – daar waren ze al eerder op de Holsteintoer. Twee keer heb ik het geprobeerd; ik wou die stieren een eerlijke kans geven. Maar ik vond de koeien die ik kreeg niks beter dan de koeien die ik al had.''

Hoe het mogelijk is dat al die andere boeren wel in hun opzet zijn geslaagd, want zo zijn ze natuurlijk allemaal begonnen, allemaal met vreemd sperma in de bestaande veestapel – dat kan Tjitte niet verklaren. Hij besloot in elk geval trouw te blijven aan zijn FH's.

Pas in de jaren tachtig kreeg de Holstein bij hem weer een voet tussen de deur. De Groot kon zijn bedrijf uitbreiden en had tweeëntwintig nieuwe koeien nodig. Geschikte Fries-Hollandse waren domweg niet meer te koop. Dus Holsteins. Maar de bloedlijnen zijn altijd strikt gescheiden gehouden. Zodoende staan daar nu zuivere FH's naast zuivere Holsteins. Zoals er aardlagen zijn waarin verschillende geologische perioden door elkaar lopen, zo is er deze ene Friese stal waarin de hele recente geschiedenis van de Nederlandse melkveehouderij is gecomprimeerd.

Vijfenzestig melkkoeien, de helft van het oude, de helft van het nieuwe ras. ,,Onze gemiddelde Holstein'', zegt Tjitte, ,,geeft 8.200 liter, en de gemiddelde FH blijft daar duizend liter bij achter. Maar dat verschil compenseert hij door een beter eiwit- en vetgehalte, doordat hij minder voer gebruikt, doordat er meer vlees op zit als hij naar de slager gaat en doordat hij lang niet zo vaak de veearts nodig heeft. Voor mij is de FH-top volledig concurrerend met hun Holstein-collega's.''

Hij vertelt dat ze net weer `zo'n topsporter' op de rails hebben geholpen. ,,Maar vraag me niet hoeveel moeite dat kost. Een tweedekalfskoe. Ging aan haar eigen werklust kapot. Vijf weken na het afkalven; ze gaf 45 kan melk op een dag. Opeens kon ze niet meer overeind komen. Met een calcium-magnesiuminfuus hebben we haar weer op de been geholpen. Een dag later heeft de veearts er nog wat pepmiddelen overheen gedaan. Toen merkten we dat er iets niet in orde was met haar ademhaling, waarschijnlijk longontsteking. Dus toen moest ze ook nog eens onder de penicilline worden gezet.''

Tjitte schudt zijn hoofd. ,,Dan is zo'n koe drie, vier jaar oud, en dan is hij al versleten. Nou heeft iedereen zijn mond vol over duurzaamheid. We moeten duurzaam produceren. Maar die Holsteins zijn deels helemaal doorgeschoten. Vel over been. Die geven zoveel melk dat ze zichzelf tekort gaan doen. Als boer ben je gewoon niet bij machte er genoeg voer in te pompen. Zo'n koe die vreet zijn eigen op.''

En lebmaagverdraaiingen, ook zoiets moderns, schering en inslag tegenwoordig. ,,Dat hebben wij in FH-kringen nooit beleefd'', zegt Tjitte. ,,Dat komt bij Oudhollandse rassen niet voor. Wij hebben nooit geweten dat dat bestond.''

Het is kortom zijn stellige overtuiging dat de Nederlandse boer eerst veel te lang met de FH-koe op dood spoor is blijven zitten en deze koe daarna veel te snel heeft opgegeven.

Lopen we nu door de stal, dan valt om te beginnen op dat het een grupstal is. De koeien zijn samengebonden, ze staan op stro. De ruige mest, die zo ontstaat, wordt geheel op eigen grond verspreid en verrijkt de bodem enorm. Hoe het met de rest van Nederland ook gesteld moet zijn, hier is geen mestprobleem. Verder zie ik natuurlijk meteen hoe schoon het er is maar dat kan zijn omdat er bezoek werd verwacht.

En wat de FH's en HF's betreft, in grootte ontlopen ze elkaar niet veel. De Groot heeft zijn FH's laten groeien en zijn Holsteins een beetje in toom gehouden. Toch zie je duidelijk verschil. Aan de achterzijde: FH's met vlees op de kont, Holsteins met knokige heupen. En aan de voorzijde FH's mét en Holsteins zonder horens.

Tjitte: ,,Die Holsteins, die hadden horens, dat waren bijna geweien, dat was me te gevaarlijk.''

Ids, de zoon: ,,Maar nou heb ik besloten dat voortaan alle jonge dieren worden onthoornd. In de toekomst zullen we misschien toch aan een loopstal moeten.''

,,Nou heb ik besloten'', herhaal ik vragend.

Tjitte, de vader, schiet in de lach. ,,Ik heb het geluk gehad dat mijn vader mij veel ruimte gaf, en dat probeer ik die jongen ook weer te geven. Een FH zonder horens, daar mankeert wat aan, maar ik kan ermee leven.''

Ids: ,,Ik hou van mooie koeien. Ik zal dat nooit helemaal opgeven; er zal hier altijd een Trijntje zijn.''

Tjitte: ,,Mijn grootvader was in 1925 van arbeider boer geworden. Hij kocht zestien koeien, die niet duurder mochten zijn dan 300 gulden per stuk. Er was er één bij, die kostte 25 gulden meer. Maar hij liep al in de wei en mijn grootvader had allang in de gaten dat het een hele goeie was – Trijntje 1. Later hebben we een Trijntje 238 gehad, onze eerste koe met 100.000 liter.''

,,En aan de hoeveelste Trijntje zijn we nu?'', vraag ik.

,,Ergens in de 640'', zegt Ids.